Lachen met die van ‘t stad

Wat brengt een gezonde Kempenzoon uit een dorp met nul nieuwe besmettingen ertoe zijn leven te gaan wagen in hellhole Antwerpen? Ongezonde nieuwsgierigheid, jazeker, overmoed ook wel, en leedvermaak natuurlijk. Die van’t stad eens gaan uitlachen met hun miserie, ge weet wel. Het is niet schoon maar het is de aard van de mens.

opinie
Louis van Dievel
Schrijver en journalist

Met de trein

Omdat ik geen goesting had om op de E313 in de file te staan, had ik in Tielen de trein naar Antwerpen genomen. Ik had een coupé voor mij alleen! Toen de trein aan het rijden was heb ik mijn mondmasker stiekem uitgedaan omdat het zo spant. Ons moe heeft dat masker zelf genaaid uit gordijnstof en met rekkers van weckpotten. Dat het spant ligt niet aan haar maar aan mijn dikke kop, beweert ons moe. Het is al eender.

Toen de trein in Lier halt hield, stak de stationschef zijn hoofd binnen in mijn wagon.

‘Ge kunt nog altijd uitstappen,’ zei hij, ‘als ge blijft zitten zijn de gevolgen voor u.’

Ik heb die mens uitgelachen. Ik had beter moeten weten. Zeker toen bleek dat ik voor het laatste stuk van de reis de enige passagier was.

‘Ge kunt nog altijd aan de noodrem trekken,’ kwam de conducteur  ter hoogte van Mortsel zeggen, ‘ik zal het u niet kwalijk nemen, en de machinist ook niet.’

Ik volhardde in de boosheid, gelijk schrijvers dat schrijven.

Noord-Korea

Toen de trein in Berchem Statie stopte, was het precies alsof ik in Noord-Korea was beland. Pinnekesdraad op het perron! Luidsprekers met marsmuziek, onderbroken door dreigende boodschappen. “Blijf in uw kot of we steken u in’t cachot!’, was nog een van de vriendelijkste. Overal van die marsmannetjes in isolerende pakken, overal politieagenten met grote geweren en kwaaie honden, overal posters van Marc Van Ranst.

‘Ha de mannen van ‘t schoon leven!’ probeerde ik nog de spanning te breken, toen de marsmannetjes mij onzacht uit de trein sleurden om op corona te controleren. Misschien is “gevisiteerd’ een beter woord voor wat ik moest ondergaan, want waarom die thermometer per se achterom moest gaan, is mij nog altijd niet duidelijk. Gelukkig had ik maar 36,9º en kon ik op het nippertje een niesbui tegenhouden. Het komt nog in orde, sprak ik mijzelf moed in. Ik dwaalde.

Boerke van de buiten

Ik zat al minstens een uur in een kamertje zonder ramen opgesloten toen er een soort van volkscommissaris binnenkwam die mij misprijzend aankeek en vervolgens het volgende toeblafte:

‘Wat komt gij hier doen, boerke van de buiten?’

‘De schone stad Antwerpen bezoeken,’ piepte ik, ‘mij vergapen aan haar pracht en praal, mij onderdompelen in haar roemrijke geschiedenis, genieten van de vermaarde gastvrijheid, mijn oor lenen aan de unieke tongval der stedelingen.’

Het was een ingeving van het moment. Ik wist niet waar ik het haalde, om eerlijk te zijn.

De ondervrager keek mij aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen.

‘Gij houdt mij voor de zot, of wa?’

‘Nee kameraad volkscommissaris,’ flapte ik eruit.

Ai, ai, ai.

‘Een mislukte humorist, ook dat nog,’ zei mijn ondervrager met een lelijke grijns. 

Tong op de voeten

Nog een uur later stapte ik tussen twee rambo’s van de politie over de verder doodse Meir.

‘Ge wilt Antwerpen zien, ge zúlt Antwerpen zien,’ had de volkscommissaris mij gewaarschuwd.

Van de Meir liepen we via de Grote Markt langs de Schelde tot aan de Kruisschanssluis en vervolgens de hele weg terug en verder naar het Nieuwe Zuid. We liepen de volledig Singel af, de Turnhoutse Baan en de Herentalse Baan, we doorkruisten het Rivierenhof en het Stadspark. Zonder ook maar een keer te verpozen. Ik voelde na een paar uur mijn benen niet meer, maar de rambo’s hadden geen compassie met mij. Ik moest stappen en zwijgen, met mijn tong op mijn voeten.

Laatste trein

Het werd stilaan donker.

‘Mannen,’ pleitte ik met schorre keel,’kunnen wij misschien terug naar Berchem Statie? Straks mis ik mijn laatste trein nog.’

Het was twintig over elf toen we aan het station arriveerden. Het was potdicht. Ik probeerde de achteringang. Ook gesloten. De rambo’s volgden mij grinnikend als schaduwen. Ze keken op hun horloges. Plots werd de stilte van de stad verscheurd door het geluid van sirenes.

‘Avondklok, meneer,’ zei een van de rambo’s, ‘en u bevindt zich nog op straat. Meekomen!’

Ik was erin geluisd.

De moraal van het verhaal: Oost, west, Wechelderzande best.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.

Meest gelezen