Caspar Huurdeman

Hoe besmettelijk zijn kinderen? Dit weten we tot nog toe

Het is een vraag die (vooral bij leerkrachten en ouders) in de aanloop naar 1 september steeds prangender wordt: hoe besmettelijk zijn kinderen? Geven ze het coronavirus door aan elkaar? En aan volwassenen? En worden ze ziek? Wetenschapsjournalist Koen Wauters zet het wetenschappelijk onderzoek op een rij.

1. Corona is nog altijd nieuw, en nieuw is onbekend

Wetenschappers bestuderen al honderd jaar de griep. SARS-CoV-2 is in vergelijking daarmee nog altijd een relatief onbekend virus. Het is nog geen jaar onder ons. Nog geen half schooljaar zelfs. De tientallen studies die intussen uitgevoerd zijn wereldwijd naar de rol van kinderen in de epidemie moeten zich dus baseren op relatief weinig gegevens uit een relatief korte periode.

Uit alle cijfers wereldwijd blijkt om te beginnen dat kinderen heel zelden ziek worden. Ze worden veel minder dan volwassenen opgenomen in het ziekenhuis, en de overlijdens zijn gelukkig heel erg zeldzaam. Daarover is wetenschappelijk weinig discussie.

Het antwoord op de vraag “Verspreiden de kinderen het virus?” is minder eenduidig. Al is de belangrijkste consensus van de meeste studies wel: kinderen zijn niet de motor van de epidemie. Ze lijken het virus niet veel te verspreiden. Dat is heel anders dan bij griep, waar kinderen een actieve rol spelen in de verspreiding van het virus. 

2. Wetenschap is nooit zwart-wit

Met één slag om de arm: dit is de huidige consensus. Zo werkt nu éénmaal wetenschap. Onderzoekers verzamelen gegevens, en trekken daaruit conclusies die een bepaalde hypothese bevestigen. Die hypothese wordt aanvaard. Maar dat kan veranderen. Als bijvoorbeeld steeds meer gegevens de hypothese tegenspreken, of als er een betere hypothese is. De absolute eeuwigdurende waarheid bestaat niet in wetenschap.

Concreet: in de grote hoop onderzoeken naar de besmettelijkheid van kinderen zijn er ook nu al studies te vinden die de consensus tegenspreken. Dat kinderen dus misschien toch meer besmettelijk zijn. Zo is er een recente studie in het betrouwbare Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift “Jama” die stelt dat kinderen toch meer virus in de neus dragen dan verwacht. Al bewijst dat natuurlijk nog niet dat ze daardoor het virus ook meer doorgeven. En dergelijke studies zijn in de minderheid. Net zoals individuele gevallen ook altijd uitzonderlijk kunnen zijn. Ook in ons land zijn helaas al kinderen overleden aan Covid-19.

3. Het ene kind is het andere niet

De definitie van “kind” is ruim: van nul tot achttien jaar. Vooral voor kinderen tot de leeftijd van de lagere school (tot twaalf jaar) zijn de meeste studies redelijk eenduidig. Die zijn heel weinig besmettelijk.

En verder is het van een simpele boerenlogica dat hoe ouder kinderen worden, hoe meer ze  op volwassenen beginnen te gelijken. De rol van pubers en van bijna-volwassenen is daarom minder duidelijk. 

4. De zomerkampen waren alvast erg geruststellend

Eén geruststelling bij de heropening van het schooljaar wel: de zomerkampen. Deze zomer waren er 3.200 kampen voor meer dan 240.000. kinderen. Kinderen die in “bubbels” van 50 een week tot twee weken samen leefden. Rond 15 juli is “de tweede golf” begonnen. De regel was en is: bij één besmetting stopt het hele kamp en moet iedereen naar huis.  Maar ook de voorbije weken waren er geen uitbraken in kampen. Er is één “uitbraak” bekend, maar dat was op een kamp van monitoren van Chiro. 17- en 18-jarigen dus. Om het kort door te bocht te stellen: er zijn vorig jaar meer kampen ontruimd door wateroverlast en voedselvergiftigingen dan dit jaar door corona. 

Meest gelezen