Nieuw boek neemt aanslagen van 22 maart onder de loep: "Actieve en passieve medewerking van deel inwoners Molenbeek"

Criminoloog Cyrille Fijnaut schreef een boek over de netwerken die betrokken waren bij de terreuraanslagen in Parijs en Brussel. Hij toont de verwevenheid aan tussen de terroristen en de georganiseerde criminaliteit en stelt vooral ook enkele ongemakkelijke vragen. "Waarom konden de aanslagen niet voorkomen worden?" 

Cyrille Fijnaut is een alom gerespecteerd expert op het vlak van politie en georganiseerde misdaad. Hij was als professor criminologie verbonden aan de universiteiten van Leuven en Tilburg en werkte als expert bij een aantal parlementaire onderzoekscommissies (o.a. de Bendecommissie). Samen met wijlen professor Brice De Ruyver zou hij ook als expert in de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart zitten, maar finaal haakten ze af omdat beiden onvoldoende vertrouwen hadden hun werk in de nodige sereniteit en deskundigheid te kunnen doen. 

Beluister hier een bijhorend gesprek met Cyrille Fijnaut in "De wereld vandaag" (en lees voort onder de audio):

In het boek (dat vandaag gepubliceerd wordt) zoekt Fijnaut een antwoord op de vraag wie precies de mensen achter de aanslagen van 22 maart waren en hoe zij deze aanslagen hebben kunnen plegen. Of met andere woorden, wat die laatste vraag betreft: hoe konden zij uit het vizier van politie en inlichtingendiensten blijven? 

De auteur onderzoekt nauwgezet de band tussen terroristen en "gewone" criminelen. Die band maakt juist dat de terroristen slaagden in hun opzet. "De sleutel van hun succes was dat de harde kern van de cel voor een groot deel bestond uit professionele misdadigers met veel expertise in de sfeer van de gewelddadige vermogensmisdrijven die om de een of andere reden overtuigde aanhangers waren geworden van de islamistische ideologie."

"Deze ideologische misdadigers hadden niet alleen persoonlijk ervaring met het offensieve gebruik van geweld, in het bijzonder zware vuurwapens, tegen burgers en overheden, maar zij waren ook gewend aan de toepassing van defensieve contra-strategieën, bijvoorbeeld de versleuteling van communicatie, het gebruik van aliassen en het bedrog bij de huur van safe houses en auto's."

Zij konden bij dit alles niet alleen rekenen op de actieve medewerking van een deel van de bevolking van Molenbeek, maar ook op de stilzwijgende passieve medewerking van veel inwoners van deze gemeente

Sommige terroristen achter de aanslagen in Parijs en Brussel hadden zelf een aanzienlijk crimineel verleden. Denk bijvoorbeeld aan Mohamed Abrini ("de man met de hoed" betrokken bij de aanslag in Zaventem), die op zijn strafblad 45 veroordelingen heeft staan voor diefstallen, drugs, ...

Anderen hadden dat niet of minder, maar zij konden via hun connecties in het criminele milieu en hun charisma dan weer mensen rond zich verzamelen. Zij kunnen beschouwd worden als "sleutelfiguren in een groot netwerk van kleine criminelen en/of verwanten die om ideologische, religieuze en/of sociale redenen bereid waren om alle mogelijke hand- en spandiensten te verlenen, zoals het spelen van de rol van katvanger bij de huur van een auto of een appartement of de rol van chauffeur wanneer iemand uit hun kring snel uit de penarie moest worden gehaald."

In het verlengde van deze vaststelling, schrijft Fijnaut fijntjes dat "niet uit het oog mag worden verloren dat zij bij dit alles niet alleen konden rekenen op de actieve medewerking van een deel van de bevolking van Molenbeek, maar ook op de stilzwijgende passieve medewerking van veel inwoners van deze gemeente".

Zwakke plekken

Cyrille Fijnaut wijst ook op de zwakke plekken van de overheden. De zwakke controles aan de buiten- en binnengrenzen van de Europese Unie maakten bijvoorbeeld dat de terroristen makkelijk vanuit Syrië naar België konden reizen. "Zij buitten deze zwaktes van de Europese Unie ook uit door de aanslagen in Parijs vanaf Belgisch grondgebied te organiseren, dus buiten het zicht van de Franse autoriteiten. De samenwerking tussen de Belgische en Franse politie- en inlichtingendiensten was duidelijk niet sterk genoeg om dit te voorkomen."

De westerse bondgenoten waren overigens in het najaar van 2010 al door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gewaarschuwd dat Al Qaeda en andere jihadistische organisaties aanslagen zouden plegen op het openbare vervoer, op toeristische hot spots en andere soft targets in Europa. "Of de lidstaten van de Europese Unie deze waarschuwing ter harte namen, is de vraag?", schrijft Fijnaut.  

Was het niet mogelijk geweest om na het vuurgevecht in Verviers – ook met de wetenschap van tóen – de geplande reeks van aanslagen in België en Frankrijk tijdig te stoppen?

De auteur stelt nog harde vragen. In het verlengde van zijn analyse van de feiten in Verviers (in januari 2015 kwam het daar tot een gewapend treffen tussen de politie en jihadistische terroristen) "moet de belangrijke vraag worden opgeworpen of het niet mogelijk was geweest om na het vuurgevecht in Verviers – ook met de wetenschap van tóen – de geplande reeks van aanslagen in België en Frankrijk tijdig te stoppen".

Deze kwestie kwam weliswaar al aan bod in de Belgische en Franse parlementaire onderzoekscommissies. Daar werden "allerlei problemen in de veiligheidsarchitectuur, en in het bijzonder bij de inlichtingendiensten" aangetoond, maar Fijnaut beveelt aan deze kwestie nader te onderzoeken. "Temeer omdat her en der wordt beweerd dat de Franse inlichtingendiensten in de zomer van 2015 tot de conclusie kwamen dat terreurgroep IS bezig was met de voorbereiding van een zware aanslag en hierom – onder de naam Allat – een speciale gemeenschappelijke eenheid oprichtten om zo’n aanslag te voorkomen."

"Hier is die eenheid duidelijk niet in geslaagd. En dus ligt de vraag voor de hand: waarom niet? Kwam het door het gebrek aan personeel en voorzieningen of de starheid van bestaande procedures en de gevestigde belangen van de inlichtingendiensten in Frankrijk en/of België?"

Cyrille Fijnaut vraagt zich luidop af of er in dossiers van terrorisme niet proactiever moet opgetreden worden door de politie. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door de inzet van politie-infiltranten. 

De vraag is geen louter academische kwestie. "Een dergelijke analyse is overigens geen overbodige luxe want het islamistisch terrorisme zal – naar het zich laat aanzien – immers nog lange jaren een binnenlandse en buitenlandse bedreiging voor West-Europa vormen."

C. Fijnaut, "De samenhang tussen georganiseerde misdaad en terrorisme en de aanslagen in Parijs en Brussel in 2015-2016", uitg. Intersentia

Meest gelezen