Er zat iets in het kraantjeswater

Louis van Dievel, schrijver en journalist, schrijft elke week over de kleine en grote actualiteit. Vandaag waagt hij zich op de Meir in Antwerpen, voor de laatste koopzondag.

opinie
Louis van Dievel
Louis van Dievel is schrijver en journalist. Hij was journalist bij VRT NWS.

“Gij zijt zot zeker? Dat ziet ge van hier, ik ben mijn leven nog niet beu!”

Zo luidde mijn eerste reactie toen mijn vrouw aankondigde dat wij naar Antwerpen zouden reizen om aldaar deel te nemen aan de koopzondag aldaar.

Ik had beter moeten weten. Ik had die vreemde blik in de ogen van mijn vrouw moeten zien. Maar toen, op zaterdag, was ik nog vastberaden. No way dat ik mij samen met haar in de drukte van de Meir zou storten, nog met geen tien mondmaskers op.

“Ja maar, Louis,” zei die van ons, “gij hebt dringend winterondergoed nodig en ik heb nog een cadeaubon van de Innovation die maar tot zondag geldig is.”

“Dat ondergoed kunt ge ook in de mercerie van Zoerle-Parwijs kopen en aan uw cadeaubon hadt ge maar eerder moeten denken. En daarmee basta.”

Ik moet u niet uitleggen dat de rest van de zaterdag in een eerder gespannen sfeer verliep.

Een stemmetje

Maar op zondagmorgen gebeurde er iets vreemds. Ik voelde het al toen ik om acht uur opstond om naar de bakker te gaan. Er zat een soort van stemmetje in mijn hoofd. Een heel zacht stemmetje, zo zacht dat ik niet kon verstaan wat het zei. Nog niet. Maar toen ik buiten in de rij stond bij bakkerij Oud Brood, klonk dat stemmetje ineens veel luider en duidelijker. En niet alleen bij mij.

“Louis,” vroeg Charel Goossens uit de Vekestraat die voor mij stond, “hoort gij dat nu ook?”

Ik knikte want ik hoorde het maar al te goed.

Kopen, kopen, kopen!” zong het stemmetje op aangenaam dwingende toon in mijn linker en in mijn rechteroor, in stereo dus.

“Ik ben ermee weg, mannen,” zei Firmin Jacobs die achter mij stond, “het is op de Meir in Antwerpen te doen.”

De wachtrij bij bakkerij Oud Brood viel uiteen. Ik aarzelde niet en repte mij naar huis.

“Zijt ge nu nog niet klaar?” verweet ik mijn vrouw die met de koffiezet bezig was, “we hebben geen tijd te verliezen.”

“Ja maar ik ben nog niet gewassen, Louis.”

“Straks, Imelda, straks. Ik haal de auto al uit de garage.”

“Dat is gesproken als een vent!”

Het was van onze huwelijksdag geleden dat ons Imelda mij nog zo verliefd had aangekeken.

Als zombies

Een uur later schuifelden wij als zombies over de Meir. Met ons mondmasker maar half over ons gezicht, want er liep zoveel volk in de winkelstraat dat er niet genoeg zuurstof was voor iedereen.

Uit de luidsprekers klonk voor één keer geen muzak maar een dreigende, opzwepende stem die opriep om een brandstapel op te richten voor verpleegster Frauke.

Dat vond ik er persoonlijk een ietsie pietsie over.

“Gaat gij daar in de rij staan, dan wacht ik hier mijn beurt af,” organiseerde die van ons het winkelgebeuren.

“Wat moet ik kopen?” vroeg ik.

“Het is al eender,” zei mijn vrouw, “al wat ge te pakken kunt krijgen.”

Het was in mijn rij onmogelijk om anderhalve meter afstand te houden. Als ge nog maar een gaatje van dertig centimeter liet tussen uzelf en uw voorganger, dook er iemand in dat gat en waart ge uw plaats kwijt. Twee keer heb ik mij laten doen, maar de derde keer heb ik de bejaarde dame die mij voorstak bij haar kladden gepakt en in de goot gezwierd. Ik kreeg applaus.

Zes paar schoenen

Toen is een en ander uit de hand beginnen te lopen. Ook al omdat de klok ongenadig tikte en het sluitingsuur van de essentiële winkels op de Meir altijd maar dichterbij kwam. De mensen die helemaal achteraan in de rij stonden en nog niets hadden kunnen kopen, werden wanhopiger naarmate het stemmetje in hun hoofd dwingender en scherper werd. Ikzelf had gelukkig al een BBQ-set, een Perzisch tapijt, zes paar schoenen en een mountainbike kunnen scoren. Ik kon mij dus strategisch terugtrekken toen de mensen met nog lege handen de wachtrij oversloegen en zich op de winkels storten. Ge moogt dat letterlijk nemen. Hier en daar sneuvelden winkelruiten. Brandalarmen gingen af. Er ontstonden gevechten in regel tussen klanten onderling, tussen verkopers en klanten, verkopers en klanten en bewakers, verkopers, klanten, bewakers en de toegesnelde politieagenten die op een gegeven moment hun plicht vergaten en zich op de overgebleven halflege winkelrekken wierpen.

Ik vond mijn vrouw terug aan onze auto. Ze had een blauw oog, haar permanent was naar de vaantjes en haar zondagse mantel was gescheurd. Maar content dat ze was met haar doos met drieduizend theelichtjes en haar honderd meter gordijnstof.

Toen wij terug in Zoerle-Parwijs aankwamen, was daar een ploeg van de watermaatschappij aan het werk. Ze hadden het trottoir opengebroken en een buis blootgelegd. Op zondagavond, nota bene!

“Wat is er mannen?” vroeg ik, “zondagsuren aan het maken?”

“Ge moet het water eerst koken voor ge het gebruikt,” zei er een, “we denken dat er een virus in is gesukkeld.”

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.

Meest gelezen