Tot 80 procent van haatmisdrijven geseponeerd, onderzoekster: "Het is vaak woord tegen woord"

Tot vier vijfde van de haatmisdrijven in ons land wordt geseponeerd. Dat blijkt uit een onderzoek in opdracht van gelijkekansencentrum Unia. Bij haatmisdrijven gaat het vooral over beledigingen of geweld op basis van de afkomst van het slachtoffer. Dat zo veel zaken worden geseponeerd heeft zijn redenen, zegt onderzoekster Sarah Van Praet. "Het is een ingewikkelde wetgeving en er is vaak geen bewijs", aldus de onderzoekster.

Het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC), dat het onderzoek voor Unia uitvoerde, onderzocht in totaal 371 dossiers gebaseerd op de antidscriminatiewetgeving waarin het parket niet vervolgde. In ongeveer vier op de vijf dossiers ging het om geweld of beledigingen op basis van afkomst. Een op de vijf zaken werd ingegeven door de seksuele geaardheid van het slachtoffer. 

Dat zogeheten haatdelicten vaak worden geseponeerd, was bij Unia al langer bekend. Maar waarom wordt eigenlijk zo vaak geseponeerd? Die vraag legden ze voor aan het NICC. 

Geen dader, geen bewijs

"De antidiscriminatiewetgeving is ingewikkeld", zegt Sarah Van Praet, onderzoekster aan het NICC. "Met ook strikte voorwaarden die niet altijd makkelijk te bewijzen zijn door mensen die naar politie of gerecht stappen". Volgens Denis Bouwen van Unia vinden veel haatdelicten plaats binnen een ruimere context, zoals burenruzies of verkeersongevallen. "Het is dan niet altijd makkelijk om te bepalen of het echt om een haatmisdrijf gaat of niet."

Veel haatdelicten - haatspraak bijvoorbeeld waarbij wordt aangezet tot racisme - vinden online plaats. Ook dat maakt het er niet makkelijker op, zegt Van Praet. "Het wordt dan moeilijker om mensen te identificeren, ook omdat de bedrijven achter de sociale media niet altijd even vlot meewerken. Als er geen dader is, kan je moeilijk vervolgen." Soms zijn auteurs ook gewoon onbekend, zoals bij racistische graffiti op openbare gebouwen. 

Ook bij zedenfeiten wordt er vaak geseponeerd

Sarah Van Praet, onderzoekster aan het NICC

Het onderzoek toont aan dat, afhankelijk van het gerechtelijk arrondissement, tussen 66 en 81 procent van de zaken wordt geseponeerd. In de meeste zaken omwille van technische redenen. "Het bewijzen van de precieze feiten, is vaak nog het moeilijkst", zegt Bouwen. Ook onderzoekster Sarah Van Praet beaamt dat. "Vaak is het gewoon woord tegen woord, dan wordt het voor een politieman of magistraat wel heel moeilijk."

Uitzonderlijk?

Vier op de vijf dossiers die geseponeerd worden en waar dus geen juridisch gevolg aan wordt gegeven, het lijkt veel. Maar is het dat ook? "Op zich is het niet heel uitzonderlijk", beweert Van Praet. "Algemeen genomen is de seponeringsgraad bij justitie vrij groot, zo tussen de 50 en 70 procent. Ook bij agressie, verkeersovertredingen of zedenfeiten wordt er vaak geseponeerd."

Unia wijst erop dat de hoge seponeringsgraad niets te maken heeft met de onkunde van politie of parket. Dat er wordt geseponeerd wil ook niet zeggen dat er niet wordt gereageerd. "In heel wat gevallen wordt er gepraat met het slachtoffer, of gewezen op wetgeving of alternatieve procedures", besluit Bouwen.

Meest gelezen