100 jaar geleden: de eerste en laatste bestorming van het Belgische parlement

Het Amerikaanse parlement moest zo'n 10 dagen geleden een bestorming ondergaan, maar ruim 100 jaar geleden bestormden enkele duizenden oud-strijders het Paleis der Natie in Brussel, het onderkomen van de Belgische Kamer en Senaat. Het gewelddadige gebeuren veroorzaakte een schok en werd vrij algemeen veroordeeld. Maar de oud-strijders haalden hun slag thuis, ze verkregen de vergoeding die ze eisten.

Op donderdag 29 juli 1920 trekken tienduizenden oud-strijders van overal in het land  in de voormiddag naar Brussel. De kamer moet die dag stemmen over een omstreden regeringsvoorstel voor de vergoeding van de oud-strijders. De oud-strijders vinden het een beledigende aalmoes en al hun verenigingen wijzen het voorstel af. De betogers dringen al snel door tot vlak bij het parlement, ze luisteren niet naar de oproepen van hun leiders om zich terug te trekken. Ze willen eerst zekerheid dat het parlement het regerings­voorstel niet goedkeurt en ingaat op hun eisen.

Tegen vier uur in de namiddag loopt het uit de hand. Honderden betogers dringen het parlement binnen. Deurwaarders en militaire politie kunnen hen niet tegenhouden. 

De voorpagina van Het Laatste Nieuws van 30 juli 1920 met een foto van de verantwoordelijke minister van Defensie, Paul-Emile Janson, die vluchtte zodra de eerste betogers het parlement binnendrongen.

De parlementaire verslaggever van Het Laatste Nieuws beschrijft, duidelijk ontzet, wat hij ziet gebeuren:

“Naar de Kamer! klinkt de kreet. De sliert zwiept de brede eretrap op, verdwijnt in de richting van de kamer en slaat boven op de trap een groot raam in … Nu wordt het een paniek. Het personeel neemt de wijk. Nog deuren worden ingestampt. Gewonden worden weggebracht … Tafels worden in andere ruiten gegooid. Het glas rinkelt schril …

Het verzet der deurwaarders en enkele Kamerleden is dadelijk  gebroken … De Kamer is vol … De betogers springen op de tafels der stenografen, op de trap van het bureel, op de banken naast de afgevaardigden, roepen, schreeuwen, zwaaien met hoeden en stokken … ’t Is een onbeschrijflijk toneel.

(Enkele volksvertegenwoordigers) stormen naar de tribune. Zij willen spreken en gesticuleren. Op zeker ogenblik krijgen ze klappen. Er wordt bij de tribune gevochten. Een heft dreigend een stoel op, een andere slaat aanhoudend met een stok op de stenografentafel, weer anderen op de lessenaars.

Vlaggen worden boven de menigte gezwaaid. Wij horen Vlaamse en Franse kreten. Voldoening! Recht! Ons geduld is uit!  We gaan niet heen zonder recht!”

“Het land is ons veel verschuldigd”

De soldaten die in de loop van 1919 terug naar huis keerden, hadden tot 52 maanden lang geleefd in vaak gevaarlijke en ongezonde omstandigheden. Velen waren verminkt, fysiek of mentaal. De helden en bevrijders van het vaderland hadden niet alleen vier jaar van hun leven opgeofferd, meestal zonder enig contact met hun familie. Ze hadden ook vier jaar niet kunnen werken en geld verdienen. 

De soldij die ze kregen was schamel, per dag amper wat een ongeschoold bouwvakker in 1914 per uur verdiende. In de loop van de oorlog kwam daar wat bij, maar het werd nooit meer per week dan wat diezelfde  bouwvakker bij het begin van de oorlog op een dag verdiende. En de oud-strijders kwamen terecht in een land waar de kosten van leven intussen waren vervijfvoudigd.

De triomfantelijke intocht van het Belgische leger in Antwerpen in november 1918 (Stadsarchief Antwerpen).

De teruggekeerde soldaten hadden vier jaar lang amper gemord over hun lage soldij, ze vonden dat hun trouw aan het vaderland niet gekocht moest worden. Maar nu de oorlog voorbij was, waren ze ervan overtuigd dat het land hun veel verschuldigd was, niet alleen eretekens, maar ook een financiële compensatie. 

Bij de Belgische soldaten leefde dat gevoel sterker dan bij bv. hun Franse of Britse collega’s. In tegenstelling tot Frankrijk of Groot-Brittannië had in België maar een vijfde van de weerbare mannen meegevochten. Eenmaal Duitsland het land bezet had, werd het onmogelijk om dienstplichtigen op te roepen, tenzij bij de families die naar het buitenland waren gevlucht. En maar een beperkt aantal mannen ontvluchtte het bezette land om in het Belgisch leger dienst te nemen. 

Een oud-strijdersvereniging schreef in juni 1920 “dat in alle landen, behalve het onze, iedereen nagenoeg zijn plichten (heeft) gedaan”. Het maakte de eisen van de oud-strijders nog sterker.

De inhuldiging van het vaandel van de afdeling Watou van de Vlaamse Oudstrijders Bond, omzoomd door pasfoto's van de 51 slachtoffers van de oorlog in het dorp (bron: WesthoekVerbeeldt.be).

Onhandige regeringen

Zowel de regering van nationale eenheid die in november 1918 aan de macht kwam, als zijn opvolger na de eerste verkiezingen met algemeen kiesrecht voor mannen in november 1919, pakten de problemen van de terugkerende soldaten aarzelend en onhandig aan. 

De eerste demobilisatiepremie die werd toegekend, was zeer laag, een ruim onvoldoende aalmoes vonden de soldaten. Na fel protest werd uiteindelijk de premie opgetrokken tot alles samen zo’n 1150 frank, inclusief allerlei sommen die de soldaten al tijdens de oorlog op een spaarboekje hadden gekregen. Dat was niet eens het jaarloon van de ongeschoolde bouwvakker uit 1914, terwijl intussen het leven wel vijf maal duurder was geworden. De soldaten kregen ook een vergoeding van 200 frank om burgerkleren te kopen.

In de praktijk bleek het ook een erg moeilijke onderneming om dat geld uitbetaald te krijgen. De legeradministratie was er niet op voorbereid en de berekening, voor elke soldaat verschillend, was erg ingewikkeld.

De eerste na-oorlogse Belgische regering met, van links naar rechts, premier Léon Delacroix, Louis Franck, Fulgence Masson, Joseph Wauters, Jules Renkin, Emile Vandervelde, Albéric Ruzette, Paul Hymans, Henri Jaspar, Edward Anseele, Charles de Broqueville, Alphonse Harmignies (collectie AMSAB).

Kort na elkaar in het voorjaar van 1919 werden de Nationale Oud-strijders Bond (NSB) en het Verbond der Vlaamse Oud-strijders (VOS) opgericht, de twee grootste oud-stijdersorganisaties.  Bijstand aan de soldaten om hun centen te krijgen werd al snel hun hoofdtaak. De terugkeerders ervoeren de bureaucratische rompslomp als een belediging. “Heeren bureelratten, een weinig eerbied voor ons!”, was een slogan op een van de eerste grote betogingen in 1919.

Werk vinden was voor veel oud-strijders een prioriteit, niet makkelijk in een verwoest land. Ze eisten daarom dat ze bij aanwervingen bij de ambtenarij, nationale bedrijven, provincies en gemeenten voorrang zouden krijgen. Die voorrang verkregen ze ook vrij snel, maar in de praktijk bleek ook dat vaak niet toegepast te worden, vooral bij de gemeenten. 

De deelnemers aan het stichtingscongres van de Nationale Strijdersbond poseren voor de Brusselse Beurs op 25 mei 1919 (collectie NSB).

"Woekeraars en anderen wel beloond"

De wrevel van de oud-strijders over hun behandeling werd nog groter door enkele maatregelen die de regering zonder enige aarzeling wel snel nam. Eind 1918 al werd beslist om alle in België aanwezige Duitse munten en bankbiljetten om te wisselen in Belgisch geld tegen de koers van 1914, hoewel dat Duitse geld intussen al heel wat van zijn waarde verloren had. 

De grote winnaars waren de banken, die veel marken op hun rekening hadden staan, en de boeren en anderen die tijdens de oorlog flink, vaak zwart, geld hadden verdiend. “De jubelende woekeraars stapelden op hunnen oorlogsfortuinen, nieuwe na-oorlogsche winsten”, schreef een oud-strijdersblad hierover.

Het eerste nummer van het tijdschrift van de Vlaamse Oud-strijders Bond van 1 augustus 1919. Rechts een kritisch artikel over de inruiloperatie van het Duitse geld.

Begin mei 1919 werd ook een wet goedgekeurd voor de volledige vergoeding van alle materiële oorlogsschade. De oud-strijders hadden geen bezwaar tegen het principe, maar vonden ook dat dit in de eerste plaats de grootindustriëlen ten goede zou komen. “Voor de vernieling is er geld, waarom niet voor ons?” stond op een spandoek tijdens een betoging kort nadien.

"De oud-strijders op water en brood, de oorlogswoekeraars feesten". Karikatuur uit het tijdschrift van de Vlaamse Oud-strijdersbond, 1921.

Geen aalmoes

De NSB, gevolgd door de andere oud-strijdersverenigingen, eiste al snel een vergoeding van circa 2000 frank per oorlogsjaar voor elke soldaat, zonder onderscheid. Half september 1919 trokken hiervoor al meer dan honderdduizend betogers naar Brussel om hun recht op te eisen. Een van de slogans was:  “De soldaat heeft zijn plicht volbracht, dat de regering hetzelfde doet.”

Maar de eerste naoorlogse regering kwam met het voorstel om uitkeringen uit te betalen op basis van de financiële toestand en de nood van elke soldaat apart. Een commissie met afdelingen in alle gemeentes zou daarover oordelen. Dit leek op een vorm van vooroorlogse liefdadigheid; dat ze hun behoeftigheid moesten bewijzen vonden de oud-strijders een vernederend en verwerpelijk idee. De meesten stuurden de formulieren die ze kregen, oningevuld terug. De leden van een NSB-afdeling schreven op hun formulier: “Wij hebben niet gedurende vijf jaren den oorlog medegemaakt om thans onze ellende bloot te stellen en uwe aalmoes te bedelen.”

Maar de regering die na de verkiezingen in november 1919 aan de macht kwam, bleef het voorstel verdedigen en verweet de oud-strijders ‘geldzucht’. Nochtans lagen in het parlement, waar voor het eerst nu ook oud-strijders zetelden, vier andere wetsvoorstellen klaar die alle min of meer tegemoet­kwamen aan de eis van een vaste, onvoorwaardelijke vergoeding voor alle soldaten. 

De bestorming

Dat de Kamer op de dag van de stemming over het regeringsvoorstel werd bestormd, veroorzaakte grote verontwaardiging en werd vrij algemeen veroordeeld. Maar de oud-strijders haalden wel hun slag thuis en kregen hun “rechtmatige vergoeding”. De regering erkende dat ze zich vergist had en amper zes dagen later werd een wet goedgekeurd die aan elke soldaat een vast bedrag toekende in functie van het aantal maanden en soort dienst in het leger. Zelfs al waren de bedragen maar half zo hoog als gevraagd, de oud-strijdersverenigingen waren tevreden.

De bestorming kreeg ook zeer veel aandacht in de buitenlandse pers zoals hier in het Franse Excelsior (3 augustus 1920, BnF Gallica).

De democratie hadden de oud-strijders nooit in vraag willen stellen; niet het parlement, maar wel de “dove” regering was het doelwit van hun actie. Nog de avond van de bestorming stuurden de NSB en VOS een brief met verontschuldigingen naar een van de Kamerleden die klappen hadden gekregen. Het geweld was uiteindelijk nog vrij beperkt gebleven, zwaargewonden of doden waren er niet gevallen. De uit de hand gelopen actie was vooral een verwerping van een vooroorlogse paternalistische vorm van politiek voeren, die in de verruimde democratie na de oorlog niet meer geduld werd.

De oud-strijders zullen tot aan de Tweede Wereldoorlog nog vaak op straat komen , een enkele keer werd het nog vrij gewelddadig zoals hier in 1936, maar alleen het hek van het Warandepark in Brussel werd gesloopt, de betogers probeerden niet tot in het parlement te raken (Rijksarchief Cegesoma).

Enkele weken later werd rond het parlementsgebouw een hek opgetrokken, dat er vandaag nog staat. De Brussels burgemeester Adolf Max diende ook een wetsvoorstel in dat samenscholingen in de neutrale zone rond het parlement verbood; het zou duren tot 1954 voor dat ook wet werd.

Meer over de bestorming van het parlement en de oud-strijders vindt u in het boek van Martin Schoups en Antoon Vrints  "De overlevenden. De Belgische Oud-strijders tijdens het interbellum".

Deze tekening van een brand in het parlement is op het eerste gezicht wat misleidend: de hekken op de voorgrond zijn van het Warandepark, het plein voor het Paleis der Natie zelf is nog helemaal open.

Meest gelezen