100 jaar geleden: Belgische vrouwen mochten voor het eerst gaan stemmen (behalve prostituees en overspelige vrouwen)

Vandaag exact 100 jaar geleden, op 24 april 1921, gingen er in België voor het eerst meer dan twee miljoen vrouwen naar de stembus. Voor de gemeenteraadsverkiezingen van toen kregen de vrouwen stemrecht en werden er voor het eerst vrouwen verkozen, al was hun aantal nog zeer beperkt. 

De gemeenteraadsverkiezingen van 1921 waren de eerste sinds de Eerste Wereldoorlog. Daarbij gold voor het eerst algemeen enkelvoudig stemrecht voor alle mannen en vrouwen boven de 21 jaar. 

Strikt genomen was het niet de allereerste keer dat er vrouwen naar de stembus mochten. Bij de parlementsverkiezingen van 1919 was er al een zeer beperkt aantal vrouwelijke kiezers: vrouwen die tijdens de oorlog wegens patriottische daden door de Duitse bezetter waren gevangen gezet, maar ook om weduwen of moeders (als ze weduwe waren) van gesneuvelde militairen of burgers die door de bezetter waren gedood. In totaal waren er zo amper 11.823 vrouwelijke kiezers. Een aantal dat daarna afnam, vooral omdat oorlogsweduwen die hertrouwden hun stemrecht verloren… 

Maar voor de gemeenteraadsverkiezingen twee jaar nadien werden vrouwen gelijkgesteld aan mannen. Of toch niet helemaal. De wet sloot prostituees en overspelige vrouwen (overspel was toen nog strafbaar) uitdrukkelijk van stemrecht uit. Voor mannen gold een dergelijke uitsluiting niet. 

Links: Marthe Boël-de Kerckhove de Denterghem, vooraanstaand liberaal feministe. Omdat ze voor haar verzetsdaden tijdens de oorlog gevangen had gezeten, was Marthe Boël een van de weinige vrouwen die mocht stemmen voor het parlement, wat ze als een onrechtvaardigheid tegenover de andere vrouwen beschouwde (foto Liberas). Rechts: Marie Spaak-Janson, socialistisch militante. Ze kwam eind 1921 als eerste vrouw in het parlement (als gecoöpteerd senator), kort nadat ze tot gemeenteraadslid van Sint-Gillis was gekozen. Ze was de moeder van de bekende staatsman Paul-Henri Spaak. (foto AMSAB)

Dat was hoe dan ook een grote vooruitgang. Tot aan de Grote Oorlog hadden Belgische vrouwen helemaal geen stemrecht.  De juridische en maatschappelijke positie van vrouwen was toen op vrijwel alle gebied inferieur.  

Internationaal zat vrouwenstemrecht toen in de lift. Tijdens of meteen na de oorlog kregen de vrouwen stemrecht in onder meer Rusland, Nederland, Duitsland, Oostenrijk en (in beperkte mate) het Verenigd Koninkrijk. 

Deze tekening uit het weekblad "Ons Volk Ontwaakt"  (1920) geeft de landen met en zonder vrouwenkiesrecht. België wordt tot de eerste categorie gerekend.

Compromis

Waarom mochten Belgische vrouwen wel voor de gemeenteraad en niet voor het parlement stemmen? Dat was het gevolg van een moeizaam compromis tussen de drie grote politieke partijen - katholieken, liberalen en socialisten - over de hervorming van het stemrecht.

Tot aan de oorlog gold het zogenoemde algemeen meervoudig stemrecht. Elke (mannelijke) Belg boven 25 had minstens één stem. Wie voldoende belasting betaalde, een diploma had of een gezin of eigendom, kreeg één of twee bijkomende stemmen. Dat systeem, zelf weer een compromis, bevoordeelde de katholieke partij, die zo over een comfortabele meerderheid in het parlement beschikte. 

De armere delen van de bevolking, zoals de arbeiders, waren het slechtst vertegenwoordigd. De socialisten, die toen niet voor niets Belgische Werkliedenpartij heetten, eisten al lang de afschaffing van dat meervoudig stemrecht.

Socialistische affiche die het verschil toont tussen algemeen "meervoudig" en algemeen "enkelvoudig" stemrecht. Maar wel voor mannen (AMSAB)

Op het einde van de oorlog  kregen de socialisten hun zin. Er kwam in november 1918 een regering van nationale eenheid van de drie partijen. Ze raakten akkoord om meteen verkiezingen te houden volgens het principe “één man, één stem”. Maar hoe zat het met de vrouwen? Daarover werden in het parlement verhitte discussies gevoerd. 

In die discussies was het merkwaardig genoeg de katholieke partij die het vrouwenstemrecht verdedigde. Merkwaardig, want die partij benadrukte toen nog sterk dat de voornaamste rol van de vrouw thuis en in het gezin lag. 

De vooraanstaande, zeer conservatieve katholiek Charles Woeste, die zich zowat tegen alle democratische en sociale hervormingen had verzet, werd zelfs een van de grootste pleiters voor vrouwenstemrecht. De reden daarvoor was eenvoudig. In het katholieke België gingen de vrouwen veel getrouwer naar de kerk dan mannen. De katholieke partij rekende dan ook op de stemmen van vrouwen in een tijd dat die partij de openlijke steun had van de kerk. Op de kansel waarschuwden priesters ervoor dat het zonde was om op andere partijen te stemmen. Voor de andere partijen betekende dit juist een bezwaar. 

De liberalen waren hevig tegen vrouwenstemrecht omdat, zoals ze zeiden, de vrouwen in feite de stem zouden uitbrengen van de pastoor bij wie ze gingen biechten. Wat de socialisten betrof, die hadden al sinds 1891 vrouwenkiesrecht in hun programma, maar in de praktijk vreesden ook zij de invloed van de clerus. Daarom stelden ze voor het stemrecht aan vrouwen geleidelijk toe te kennen.  

Een ander argument van de tegenstanders was dat de vrouwen zelf niet om stemrecht vroegen. Dat klopte niet echt, maar België kende wel geen militante beweging voor vrouwenkiesrecht zoals bijvoorbeeld Engeland. De meeste “suffragettes” kwamen dan nog uit de hogere klassen. Vrouwen uit de armere bevolkingsdelen waren er bijzonder slecht aan toe en gaan stemmen was niet hun eerste bekommernis. Velen onder hen waren niet of nauwelijks naar school geweest. Veel vrouwenorganisaties wilden wel stemrecht, maar waren in de eerste plaats bezig met de materiële en sociale problemen van de vrouw. 

Een van de eerste oproepen aan "kiezerinnen". Liberaal verkiezingspamflet in Harelbeke. (Liberas)

Na hevige discussies besliste het parlement dat vrouwen voorlopig geen stemrecht voor het parlement zouden krijgen, maar de mogelijkheid om dat in de toekomst in te voeren werd wel gemakkelijker gemaakt. In afwachting zouden de vrouwen kunnen stemmen voor de gemeenteraden en ook de provincieraden (al zou dat laatste er uiteindelijk niet komen door verzet van de liberalen).

Vrouwen konden zich ook voortaan verkiesbaar stellen, zelfs voor een mandaat waarvoor ze niet mochten stemmen. Eind 1921 kwam voor het eerst een vrouw in het parlement – als gecoöpteerd senator. En ook voor de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar konden vrouwen kandidaat zijn.

Op het moment van die verkiezingen konden vrouwen wel gemeenteraadslid worden, maar nog geen burgemeester of schepen. Pas vier maanden later,  27 augustus, kwam er een wet die dat uitdrukkelijk toeliet. Gehuwde vrouwen moesten daarvoor wel toestemming van hun echtgenoot krijgen. Bovendien werd een vrouwelijke burgemeester verplicht haar bevoegdheden inzake politie over te dragen aan een mannelijke schepen.  

Voorstelling van een stembiljet. Bij de vrouwelijke kandidaten wordt uitdrukkelijk vermeld van wie ze echtgenote of weduwe zijn. (Liberas)

Vrouwen in het gemeentebestuur

Hoewel er meer vrouwelijke dan mannelijke kiezers waren (door de oorlog was het overschot van vrouwen nog toegenomen) leidden die gemeenteraadsverkiezingen niet meteen tot een vervrouwelijking van de gemeentebesturen. Slechts in 146 gemeenteraden – op een totaal van meer dan 2.600 - werd één of, nog zeldzamer, meerdere vrouwen verkozen. Samen waren er amper 196 vrouwelijke gemeenteraadsleden, minder dan één procent van het totaal. 

Dat kwam vooral omdat er zeer weinig vrouwen op de kandidatenlijsten stonden. In een meerderheid van de gemeenten – België telde toen veel meer gemeenten dan nu - was er zelfs geen enkele vrouwelijke kandidate. 

Opvallend was dat veel vrouwelijke verkozenen ongehuwd waren. Die kwamen meestal uit de katholieke partij - nog altijd verreweg de grootste - die het principe verdedigde dat echtgenotes en moeders geen publieke functie vervulden.

Het aantal vrouwelijke burgemeesters en schepenen was uiteraard nog veel kleiner. Als gevolg van de verkiezingen van 1921 werden 6 vrouwen burgemeester en 13 schepen. Die eerste zes vrouwelijke burgemeesters bestuurden allen een kleine, landelijke gemeente, – drie Vlaamse en drie Waalse. Niet toevallig behoorden de meesten tot een voorname familie die al eerder burgemeesters had opgeleverd. Twee waren zelfs van adel. Kleine dorpen hadden toen immers vaak de lokale kasteelheer of grootgrondbezitter als burgemeester. 

De allereerste vrouw die – op 3 september 1921 – tot burgemeester werd benoemd is jonkvrouw Léonie Keingiaert de Gheluvelt. Ze was de - ongehuwde -,laatste telg uit een familie die meerdere burgemeesters had geleverd in de West-Vlaamse gemeente Geluveld (nu een deel van Zonnebeke). 

Léonie Keingiaert de Gheluvelt als burgemeester (Kasteelarchief Geluveld). Rechts staat ze in de deur van haar noodwoning (foto Gazet van Antwerpen).

Dit dorpje tussen Ieper en Menen (toen gespeld als “Gheluvelt”) lag tijdens de oorlog in het frontgebied en de inwoners hadden moeten vertrekken. Toen ze terugkeerden, was het dorp totaal verwoest, ook het kasteel van de familie Keingiaert de Gheluvelt. Léonie begon het kasteel herop te bouwen en installeerde daarvoor een steenbakkerij, waar ook andere bewoners stenen konden halen. 

Bij de verkiezingen voerde ze een kandidatenlijst aan die, bij gebrek aan tegenkandidaten, zonder stemming verkozen werd verklaard. Omdat ze als burgemeester in botsing kwam met de pastoor, werd ze bij de volgende verkiezingen in 1926 door een oppositielijst verslagen, maar later zou ze met succes terugkeren als burgemeester (1932-1938). 

Léonie Keingiaert de Gheluvelt bij haar inhuldiging als burgemeester in 1921. (foto VAKB).

Op 5 september 1921 – twee dagen na de benoeming van Léonie Keingiaert -  volgde die van Isabella Segers tot burgemeester van Appels (nu een deel van Dendermonde). Zij was een ongehuwde rentenierster uit een rijke boerenfamilie, wier vader en broer eerder al burgemeester waren geweest. Dat was ook de reden waarom de plaatselijke katholieke partij haar vroeg de lijst aan te voeren. Isabelle Segers zou 18 jaar burgemeester blijven tot ze zich vrijwillig terugtrok. Daarna schonk ze nog een huis aan de kleine gemeente om er een gemeentehuis in te richten. 

Ook de eerste burgemeesteressen in Wallonië behoorden tot gevestigde families. Barones de Bruges de Gerpinnes, geboren Marie Ghislaine, was de weduwe van een katholieke senator en burgemeester. Zij was van 1921 tot haar dood in 1924 burgemeester van Weillen bij Dinant (nu een deelgemeente van Onhaye).  Marie Carlier-Renard volgde haar broer op als burgemeester van Thimougies (nu een deel van Doornik). Een jaar later werd Rose Vanderwarden-Losseau burgemeester van het dorpje Willaupuis (nu een deel van Leuze-en-Hainaut). 

Links: Isabella Segers, burgemeester van Appels (Stadsarchief Dendermonde). Rechts: Amelia Brocken, burgemeester van Emblem (foto Frans Marivoet).

Een apart geval was Amelia Brocken, die bijna uit het niets burgemeester werd van de Antwerpse gemeente Emblem (nu een deel van Ranst). Ze was de vrouw van een eenvoudige sluismeester op de Kleine Nete maar had middelbaar onderwijs genoten – eerder uitzonderlijk voor die tijd – en was erg sociaal geëngageerd. Bij de verkiezingen in Emblem kwam deze eigenzinnige vrouw op met een lijst met haarzelf als enige kandidate. 

Toch werd ze verkozen. Geen enkele lijst haalde een meerderheid en er kon geen kandidaat-burgemeester worden voorgedragen, maar Amelia Brocken werd intussen gekozen tot eerste schepen en daarmee waarnemend burgemeester. Toen er na een jaar nog geen burgemeester was, stelde de arrondissementscommissaris voor haar te benoemen. Ze had ook de meeste voorkeurstemmen behaald. 

Als burgemeester zorgde ze ervoor dat Emblem een behoorlijk schoolgebouw kreeg. Bij de volgende verkiezingen werd ze opnieuw verkozen op een “éénvrouwslijst” (ze haalde zoveel stemmen dat de lijst meerdere zetels had kunnen halen als er meerdere kandidaten waren geweest!, maar ditmaal sloten de andere lijsten een coalitie die haar belette om burgemeester te blijven.  

De eerste verkiezingen met vrouwen luidden dus geen revolutie in. Het aantal vrouwelijke verkozenen was miniem en dat aantal zou de volgende decennia maar licht stijgen. Vrouwelijke burgemeesters dankten hun functie meestal aan hun verwantschap met vooraanstaande mannen.

Feministen als Marthe Boël hadden gehoopt dat deze lokale verkiezingen voor vrouwen een leerschool van de politiek zouden vormen, maar die hoop bleek ijdel. Ook toen de vrouwen in 1948 dan toch stemrecht kregen voor álle verkiezingen, steeg het aantal vrouwelijke verkozenen niet spectaculair. Pas de invoering van quota op het einde van de eeuw heeft dat aantal fors doen toenemen. 

Dit jaar vinden in Geluveld diverse evenementen plaats ter herdenking van de eerste vrouwelijke burgemeester. Daarbij verschijnt ook een boek over Léonie Keingiaert de Gheluvelt: Léonie. Burgemeester tussen dorp en adel, door Karen Derycke en Lee Ingelbrecht. 

Meest gelezen