In februari had 1 op de 5 Belgen antistoffen tegen corona in het bloed

Het aantal Belgen met antistoffen tegen het coronavirus neemt duidelijk toe. In april vorig jaar had vijf procent van de algemene bevolking antistoffen in het bloed, in februari van dit jaar was dat gestegen tot twintig procent. Dat betekent dat op dat moment één op de vijf Belgen in contact was geweest met het virus. Dat is opvallend, want de vaccinatiecampagne was toen nog niet gestart voor de brede bevolking.

Gezondheidsinstituut Sciensano volgt de evolutie van de aanwezigheid van antistoffen tegen corona in het bloed, onder meer door samenwerking met het Rode Kruis. Het Rode Kruis stelt namelijk reststalen ter beschikking van het bloed dat zij krijgen van hun donoren. Die donoren vormen een vrij goede doorsnee van de gezonde bevolking tussen 18 en 65 jaar.

Stijging in tweede golf

In april vorig jaar had vijf procent van die donoren antistoffen tegen corona in het bloed. Dat percentage bleef ongeveer stabiel tot midden oktober, zo zegt het Rode Kruis, om dan tijdens de tweede golf te stijgen tot ongeveer twintig procent, in februari dit jaar.

Van de algemene bevolking en dus ook van de donoren was in februari nog maar amper iemand gevaccineerd (in januari werden vooral bewoners van woonzorgcentra gevaccineerd red.). De meeste mensen met antistoffen in het bloed hadden dus een coronabesmetting doorgemaakt. De verwachting is dat het aantal mensen met antistoffen nu sterk gaat stijgen maar dan vooral door de vaccinatiecampagne die intussen op volle toeren draait.

Vaccinatie duidelijk merkbaar bij gezondheidswerkers

Die stijging is intussen spectaculair bij de gezondheidswerkers, die sinds midden januari massaal ingeënt werden. Bij een gericht onderzoek bij die populatie, eind april, stelde Sciensano vast dat 97 procent van de gezondheidswerkers in de ziekenhuizen antistoffen heeft. Bij huisartsen ligt dat rond 85 procent.

Sciensano volgt ook de schoolbevolking op en stelt daar een duidelijk verschil vast tussen de lagere scholen, die tijdens de hele coronacrisis doorgaans open gebleven zijn, en de middelbare scholen, die in grote mate overgeschakeld waren op afstandsonderwijs.

Virus heeft meer gecirculeerd in lagere scholen

Bij de leerlingen zelf is er niet echt een onderscheid, die zitten in beide groepen rond de 17 of 18 procent. Maar bij het personeel is er een duidelijk verschil: in de lagere school heeft ruim 22 procent van het personeel antistoffen in het bloed, tegenover een kleine 15 procent in de middelbare school. In de lagere school, waar het contact met de kinderen intenser is, zijn de volwassenen dus duidelijk meer in contact gekomen met het virus dan in het middelbaar.

Bij de schoolbevolking vallen ook de verschillen op tussen de drie regio's. De cijfers bij zowel leerlingen als personeel liggen in Wallonië en vooral Brussel hoger dan in Vlaanderen. Zo blijkt dat in Brussel bijna 36 procent van de middelbare scholieren al in contact is geweest met het virus.  Volgens viroloog Steven Van Gucht van Sciensano valt dit hoge cijfer te verklaren door het feit dat in Brussel (en in Wallonië) de besmettingscijfers op bepaalde momenten veel hoger waren dan in Vlaanderen.

Antistoffen in speekselstalen

Sciensano heeft onlangs ook een studie opgestart waarbij bij een willekeurig gekozen groep van de volwassen bevolking speekselstalen worden geanalyseerd. Aan de deelnemers van de studie wordt gevraagd bij zichzelf een staal af te nemen en dat op te sturen naar Sciensano. In speeksel kunnen net als in bloed antistoffen worden bepaald.   

Uit de eerste analyses, daterend van  begin april, bleek dat 28,9 procent van de speekselstalen antistoffen bevatten. In stalen van mensen die aangaven dat ze nog niet gevaccineerd waren, was dat maar 19,4 procent.

Meest gelezen