Rechter in beroep volgt uitspraak in kort geding niet: "Coronamaatregelen hebben op eerste gezicht wél wettelijke basis"

De coronamaatregelen hebben op het eerste gezicht wel degelijk een wettelijke basis, in afwachting van een pandemiewet. Dat oordeelt de rechter in beroep. Hij volgt de uitspraak van de Brusselse kortgedingrechter niet die de regering tot eind april had gegeven voor zo'n pandemiewet. Dat is nog altijd niet rond, want vorige donderdag heeft de Kamer het wetsontwerp van minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) andermaal voor advies naar de Raad van State gestuurd. 

Dat de coronamaatregelen geen wettelijke basis zouden hebben, wordt al maanden geopperd door onder meer N-VA-Kamerfractieleider Peter De Roover. Maar het was een Brusselse kortgedingrechter die op 31 maart de knuppel in hoenderhok gooide: hij oordeelde dat de coronamaatregelen geen wettelijke basis hadden en had minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) tot 30 april gegeven om een pandemiewet uit te werken. Zijn beschikking kwam er op vraag van onder meer de Liga voor Mensenrechten.

Dit arrest ligt in lijn met mijn verwachtingen

Minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V)

Zo'n pandemiewet, die door het parlement moet worden goedgekeurd, legt de contouren vast voor noodmaatregelen zoals de coronamaatregelen. De huidige coronamaatregelen worden officieel geregeld via ministeriële besluiten en dat is volgens velen een aanfluiting van de democratische spelregels.

Intussen heeft Verlinden een pandemiewet klaar, maar die is nog altijd niet goedgekeurd door het parlement. Afgelopen donderdag nog heeft de Kamer op vraag van de oppositie beslist dat de Raad van State andermaal om advies moet worden gevraagd. Gevolg: opnieuw vertraging.

Onder meer omdat er nog een advies van de Raad van State moet komen - maar ook omdat er vragen zijn gesteld aan het Grondwettelijk Hof - zegt de beroepsrechter dat het oordeel van dat Grondwettelijk Hof moeten worden afgewacht. “Dit arrest ligt in lijn met mijn verwachtingen", reageert minister Verlinden. "We hebben de afgelopen maanden consequent vanuit een wettig kader gehandeld. Het hof van beroep bevestigt vandaag opnieuw onze aanpak."

Als de ene rechter zegt dat de maatregelen niet conform de grondwet zijn en de andere twijfelt, is dat een voorbeeld van rechtsonzekerheid

Kati Verstrepen (Liga voor Mensenrechten)

De Liga voor Mensenrechten, die naar de rechter in kortgeding was gestapt, betreurt de uitspraak in beroep en zegt dat die rechtsonzekerheid in de hand werkt. 

"Als de ene rechter zegt dat de maatregelen niet conform de grondwet zijn en de andere rechter twijfelt dan is dat een duidelijk voorbeeld van rechtsonzekerheid", zegt Kati Verstrepen van de Liga. "Maatregelen die zo belangrijk en zo ingrijpend zijn hebben een duidelijke wettelijke basis nodig en die ontbreekt."

Meest gelezen