8 uur werken in plaats van 12 of 14? Dat heb je te danken aan een wet die 100 jaar geleden is goedgekeurd

Exact 100 jaar geleden, op 14 juni 1921, werd de 8-urige werkdag bij wet opgelegd. Tot dan bestond er geen algemene beperking van de arbeidsduur. De wet betekende het einde van een tijdperk waarin arbeiders soms meer dan de helft van de dag in een fabriek moesten doorbrengen. 

Eeuwenlang was arbeidsduur iets dat niet vastlag. Landbouwers, ambachtslui en handwerklieden werkten vroeger vaak voor zover het daglicht of het weer dat toeliet. Bovendien werden werknemers vaak per prestatie betaald. Hoelang ze over het werk deden, was niet belangrijk, als het werk maar af was. Gemiddeld draaide de werkdag rond tien uur.

Dat veranderde fundamenteel met de industriële revolutie  eind 18e, begin 19e eeuw. Een steeds groter deel van de bevolking, onder wie ook veel vrouwen en kinderen, ging werken in grote fabrieken en mijnen. Om een maximale winst te maken, eisten deze bedrijven van de arbeiders zware prestaties. De meest renderende manier bleek hen zo lang mogelijk te laten werken. Ze hadden daarbij geen keuze, want omdat de uurlonen zeer laag waren, konden ze alleen door zeer lange werkdagen voldoende verdienen om van te leven. 

Franse textielfabriek eind 19de eeuw.  Foto bovenaan: 1 mei-betoging in Antwerpen rond 1930 waarin wordt opgeroepen voor het behoud van de achturendag. (foto AMSAB-ISG)

Het gevolg was dat het personeel vaak de helft van de dag op het werk  doorbracht. In de negentiende eeuw was een werkdag van twaalf of zelfs veertien uur niet ongewoon. Op het einde van de eeuw werkte nog de helft van de Belgische werknemers 10 uur per dag, een kwart werkte meer dan 11 uur. De tijd om van en naar het werk te gaan was daarbij niet inbegrepen. 

Van vakantie was geen sprake. Zelfs de zondagsrust – eeuwenlang een religieuze plicht – bleef niet gespaard. Midden 19e eeuw werkten velen zeven dagen op zeven. Soms moesten de arbeiders op de “vrije” zondag hun werkplaatsen schoonmaken en onderhouden… zonder te worden betaald.

Pas in 1905 zou een Belgische wet van zondag een verplichte rustdag maken, na tien jaar discussie in het parlement. De tegenstanders van de wet – die overigens achterpoortjes openliet – vonden zoiets een belemmering van de vrije onderneming en vreesden dat dit het begin betekende van een beperking van de arbeidstijd. Terecht, want de strijd om de achturendag was toen al lang bezig. 

Kleine kinderen aan het werk in de zwavelindustrie, rond 1900 (foto AMSAB-ISG)

"8-8-8"

Het idee om de werkdag tot acht uur te beperken dook op rond 1830 in Engeland. In de jaren 1860 voerden Britse en Amerikaanse vakbonden actie voor de achturendag en ook in België begon de piepjonge arbeidersbeweging daarvoor te voelen. In de Verenigde Staten ontstond de gewoonte om op 1 mei optochten te houden om de achturendag te eisen. Vanaf 1890 werd 1 mei zo de internationale dag van de arbeid.

Deze eis, in het begin niet meer dan een verafgelegen ideaal, bleek veel arbeiders te mobiliseren. Het was hoe dan ook een redelijk en aantrekkelijk idee om een fysieke grens aan de arbeidsduur te stellen en iedereen voldoende tijd te geven voor ander tijdverdrijf. De opkomende socialistische beweging formuleerde dit met de “8-8-8-slogan”: acht uur werken, acht uur ontspannen en acht uur rust. 

Oproepingen voor de manifestaties voor de achturendag op 1 mei 1890 in Gent (links) en Leuven (rechts, in het Frans). (foto’s AMSAB-ISG)

De socialistische denkers wezen nog op andere voordelen. De achturendag zou de werkloosheid verminderen en de koopkracht verbeteren. Immers, een kortere arbeidsduur betekent dat meer personeel moet worden aangeworven. Die toenemende vraag naar arbeid zou de lonen doen stijgen. Bovendien zouden gezonde, goed uitgeruste arbeiders ook beter kunnen werken, wat tot hogere productiviteit zou leiden.

Maar lang niet alle arbeiders raakten overtuigd: sommigen vreesden dat hun loon zou dalen door minder te werken.

De tegenstanders, de meeste ondernemers en conservatieve politici, hadden ook hun argumenten. De stijgende loonkosten zouden de producten duurder maken. De concurrentie van buitenlandse bedrijven zou groter worden. En België was ook toen een land dat van uitvoer leefde. Het zijn argumenten die ook veel later zullen opduiken, telkens wanneer het over arbeidsvermindering gaat. 

Ondanks de grote arbeidersmobilisatie bleef de achturendag lange tijd onbereikbaar. Pas in het begin van de 20e eeuw kwam er enige vooruitgang. Na een zwaar conflict in de Gentse textielindustrie kwam het daar tot een akkoord over een elfurige werkdag. Kort daarop verkregen de diamantwerkers een werkdag van negen uur. Maar dat alles verliep via akkoorden tussen vakbonden en patroons. In het parlement ijverden de socialisten, met de steun van progressieve christendemocraten, tevergeefs voor een algemene, wettelijke regeling. In 1909 wisten ze wel een verplichte 9-urige werkdag voor mijnwerkers op te leggen. 

Links: een affiche van de Syndicale Commissie (de voorloper van het ABVV) met de slogan “8-8-8”. Rechts: een meer allegorische voorstelling van “8-8-8” in het Franse extreemlinkse blad ‘L’assiette au beurre”. (foto’s AMSAB-ISG)

Na de oorlog

De Eerste Wereldoorlog bracht een ommekeer. De oorlog was gevoerd met het bloed van miljoenen gewone mensen. Er kwam daardoor meer solidariteit en meer begrip voor sociale eisen. De hogere klassen waren bovendien bang voor een revolutie, zoals die in Rusland woedde en die ook in andere landen even was opgestoken.

Het Verdrag van Versailles, dat een einde aan de oorlog maakte, voorzag dat eind 1919 een Internationale Arbeidsconferentie zou worden gehouden, waar het principe van de 8-urige werkdag en de 48-urige werkweek uitdrukkelijk ter tafel zou liggen. Die conferentie beval alle landen aan om dat principe in te voeren. 

In België waren de socialistische vakbonden vanaf 1919 begonnen met stakingsacties voor de achturendag. Ondanks de afwijzing van de werkgevers, verenigd in het Comité Central Industriel (CCI), en de aarzeling van de christelijke vakbonden, die wel voor het principe waren, maar stakingen niet opportuun vonden, kwam het in januari 1920 tot een akkoord om de achturendag (en de bijbehorende 48 urenweek) in de metaalsector in te voeren. In april volgde de mijnsector. 

Eind 1920 kende zowat de helft van de arbeiders de achturendag, nog voor die bij wet werd verplicht.

Op 26 maart 1920 diende de socialistische minister van Nijverheid en Arbeid Joseph Wauters een wetsontwerp in dat de achturendag en de 48 urenweek oplegde. Wauters was een realist en besefte dat die invoering soepel en geleidelijk moest verlopen. 

De Belgische regering van “nationale eenheid”, onder wie sociale hervormingen zoals de achturendag tot stand kwamen. Ze werd geleid door de katholiek Henry Carton de Wiart (links staande, met hoed op). Joseph Wauters staat aan de rechterkant. Tweede van links zittend is de socialistische minister van Justitie Emile Vandervelde, die eerder op de vredesonderhandelingen had aangedrongen op een Internationale Arbeidsconferentie. (foto AMSAB-ISG)

Intussen hadden al 15 landen de achturendag verplicht. België behoorde, met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, tot de achterblijvers. De vraag was niet of hij er zou komen, maar wel wanneer en met welke afwijkingen en uitzonderingen. Het CCI voerde grote druk uit. Het wees er onder meer op dat de Belgische economie nog lang niet hersteld was van de gevolgen van de oorlog. 

Het wetsontwerp pendelde meer dan een jaar tussen Kamer en Senaat. Uiteindelijk werd er een afgezwakte versie goedgekeurd, die heel wat overgangsmaatregelen en afwijkingen mogelijk maakte. 

De wet op de achturendag werd op 14 juni 1921 door koning Albert I bekrachtigd. Maar diezelfde dag ondertekende hij een aan minister Wauters gerichte brief die – zeer ongebruikelijk - in alle kranten verscheen.  Hij wees erop dat de achturendag niet alleen juridisch, maar ook economisch moest worden gerealiseerd. Met andere woorden: de productiviteit van de Belgische bedrijven moest drastisch worden verhoogd om hun concurrentiekracht niet te benadelen. Iets wat de socialistische ministers ook wel beseften.

Links: koning Albert I. Rechts Max-Léo Gérard; de secretaris van de koning, die voor Albert een open brief opstelde waarin hij waarschuwde voor de economische consequenties van de achturendag. Later zou hij zelf minister worden. (cartoon uit "Pourquoi Pas?", bron Liberas)

Koning Albert had door de voorbije oorlog veel invloed. Eerder had hij de achturendag voor zijn eigen personeel ingevoerd, zodat de vakbondsleiders beweerden “de koning staat aan onze kant”. De secretaris van de koning, wiens broer zelf een topman van het CCI was, had de brief opgesteld om te tonen dat de vorst de bezorgdheid van de werkgevers deelde. 

Vakbondsaffiche waarin gewaarschuwd wordt om niet aan de achturendag te raken. Na de invoering van de achturendag in 1921 werd regelmatig voorgesteld de maatregel terug te schroeven vanwege de economische problemen. (foto AMSAB-ISG)

De achturendag, die pas in 1928 overal zou gelden, ging dan ook gepaard met allerlei “rationaliseringen” die de productiviteit verhoogden. Grote bedrijven voerden de lopende band in, of meer automatisch werkende machines. De vakbonden hebben zich daar toen niet tegen verzet, zolang dit niet tot lagere lonen leidde. Maar de kortere werkdag zorgde niet voor veel meer jobs… 

Door de achturendag begon de auto-industrie snel met de invoering van de lopende band, die de efficiëntie van de productie enorm verhoogde. Dat gebeurde vooral in Amerikaanse bedrijven, die toen al in Antwerpen gevestigd waren, zoals Chrysler, Ford en (hier) General Motors .  Belgische luxe-automerken zoals Minerva bleven op een ambachtelijke wijze werken en zouden vrij snel verdwijnen (foto’s boven en beneden eigendom van Opel Belgium NV).

Meest gelezen