Belgen brengen 7 olympische medailles mee naar huis: hoe trots mogen we zijn? En mogen we van meer dromen? 

De Olympische Spelen in Tokio zitten erop: het atletendorp wordt gesloten en de sporters vliegen naar huis. Met in de Belgische koffer: zeven medailles. Hoe mogen we terugblikken op deze Spelen? Waar staan we tussen de andere landen? En kunnen we nog beter? We maken de balans op na twee weken sportspanning.

Hoe hebben we het nu eigenlijk gedaan?

Zeven olympische medailles mag ons land mee naar huis brengen. 

  • Drie gouden (voor de hockeyploeg Red Lions, zevenkampster Nafi Thiam en turnster Nina Derwael)
  • Een zilveren (voor wielrenner Wout van Aert)
  • Drie bronzen plakken (voor judoka Matthias Casse, de Belgische jumpingruiters Grégory Wathelet, Pieter Devos en Jérôme Guery en marathonloper Bashir Abdi) 

De laatste keer dat we zoveel medailles konden binnenrijven was 1948. Maar hoe mogen we nu eigenlijk terugblikken op deze Olympische Spelen?    

"We hebben het significant beter gedaan dan in Rio", glundert delegatieleider Olav Spahl wanneer we hem bellen. "We kijken niet alleen naar de medailles, maar ook naar de totale ontwikkeling. We hebben ook 7 top 8-plaatsen meer dan in Rio. Dit toont de mooie ontwikkeling in de Belgische topsport."

Beluister hier hoe de Belgische delegatieleider terugblikt op de spelen:

Daar kan Veerle De Bosscher, professor sportbeleid, zich alleen maar bij aansluiten. "Onze atleten hebben het fantastisch gedaan. We streefden naar minimaal zes medailles zoals in Rio, dit is echt verdiend."

Alle lof dus, maar tegelijk vielen we maar liefst zeven keer net naast het podium, en strandden we op die ondankbare vierde plaats. Waren dit de Spelen van de "net niet"? "Je kan het zo bekijken", zegt Spahl, "maar het glas kan halfvol of halfleeg zijn, dit blijven uitzonderlijke prestaties." Die vele vierde of vijfde plaatsen, dat is niet anders dan in Rio of dan bij andere landen. "Het is vaak net niet en het konden nu misschien ook negen of tien medailles zijn met wat meevallers. De verschillen tussen die atleten zijn zo klein", verklaart De Bosscher. 

Bovendien draait niet alles rond die medailles, klinkt het bij beiden. "Al is dat natuurlijk competitie en topsport, je wil het hoogst grijpbare halen. De ambities mogen dus op die medailles liggen. Het is niet fout om ambitieus te zijn, het is ook pas sinds Vlaanderen ambitieuzer geworden is en dat ook durft uitspreken, dat we het beter doen."

Waar staan we tussen de andere landen?

In totaal prijken we op plaats 29 als we alle 206 deelnemende landen naast elkaar leggen. Op een onklopbare eerste plek staan de Verenigde Staten met 113 medailles, gevolgd door China met 88 medailles en Japan met 58 medailles. 

Maar als we kijken naar Nederland bijvoorbeeld, een land dat toch niet zoveel groter is dan wij, zien we dat zij op een zevende plaats prijken. En Zwitserland, ook vergelijkbaar met ons land, op een 24e plaats - met 13 medailles. "Zwitserland en Nederland zijn landen waar we lessen uit moeten trekken", klinkt het bij De Bosscher en Spahl. "We kunnen dat niet één op één leggen, maar we moeten de juiste lessen trekken qua beleid en talentontwikkeling." Die gesprekken met bijvoorbeeld Nederland zijn al bezig. 

Kunnen we nog meer medailles binnenhalen?

En dan rest de vraag: kunnen we nog beter? Over drie jaar staan we in Parijs voor de volgende Olympische Spelen, kan onze buit dan nog groter zijn? 

"We moeten realistisch blijven, we zullen niet onmiddellijk heel veel meer medailles halen", tempert Spahl. "Dat zijn ontwikkelingsprocessen. Dat vraagt tijd, hard werken en geduld. We zien nu een duidelijk stijgende ontwikkelingslijn, dat moeten we verder zetten."

We moeten realistisch blijven, we zullen niet onmiddellijk heel veel meer medailles halen

Olav Spahl - delegatieleider

Maar sport is maakbaar, beaamt hij. "Kijk maar naar de Red Lions, dit is het verdiende loon van een project over 10, 15 jaar. In die federatie zie je dat alles mogelijk is, dat ze het beste van verschillende werelden combineren: een coach van Nieuw-Zeeland, een directeur van Australië. Dit is een en-en-en-verhaal. Hier werpt de topsportcultuur iets af."

Wat is er dan precies nodig?

Net bij de federaties is er nog progressie nodig - denk maar aan het zwemmen of taekwondo. "We hebben sterke federaties nodig met sterk leiderschap en daar kunnen we nog stappen zetten", klinkt het bij De Bosscher. "Het is heel belangrijk dat directeurs begrijpen dat dingen moeten veranderen, dat we anders moeten doen dan het verleden om vooruitgang te boeken." 

Dat is meteen ook het verschil met Nederland, waar ze hele sterke structuren hebben die dat inzien. "De laatste 10 jaar hebben we in Vlaanderen een goede structuur, in samenwerking met het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC), maar in Nederland is die langetermijnplanning al veel langer bezig. Wij moeten snel kunnen inspelen, de beste trainers binnenhalen, inzetten op infrastructuur, op nieuwe disciplines."

Beluister hier hoe we de Belgische topsport nog beter kunnen maken:

En draai of keer het hoe je wil, alles komt neer op budget

Om te vergelijken - de budgetten op een rij:

In de cyclus naar de Spelen van Tokio is er in ons land om en bij de 100 miljoen euro geïnvesteerd in topsport. 

In Nederland (goed voor 36 medailles) was dat 293 miljoen euro, in Zwitserland (goed voor 13 medailles) 450 miljoen euro, in Nieuw-Zeeland (goed voor 20 medailles) 150 miljoen euro en Australië (goed voor 46 medailles) 300 miljoen euro. 

Als er dus iets moet veranderen, is het dat, benadrukt De Bosscher. "Internationaal is er vaak een topsporthal waar alles aanwezig is. Dat vraagt geld en middelen die we nu nog niet hebben. We moeten nu leren uit landen als Nederland of Zwitserland. Bij topsport is alles zo secuur, we moeten blijven investeren en op elk detail werken."

Bij topsport is alles zo secuur, we moeten blijven investeren en op elk detail werken

Veerle De Bosscher - professor Sportbeleid

En dat investeren moet zowel in de breedte als in de diepte. "De talentontwikkeling moet heel breed zijn. Daarvoor heb je sterke sportclubs nodig, want alle atleten vinden daar hun roots. Als we de toppers daar te snel uitplukken, werkt dat demotiverend voor de clubs. Je moet op die jonge leeftijd ook waken dat die balans tussen hoofd en lichaam goed zit. We hebben dus een bredere basis nodig, en dat doet Nederland bijvoorbeeld al beter. Tegelijk moeten we durven focussen en prioriteiten leggen eens talenten beginnen presteren. Dan kan je niets aan het lot overlaten en investeer je de weinig middelen die je hebt beter in bepaalde atleten dan het te versnipperen."

En nu? Op naar Parijs. 

Meest gelezen