Voorbije 15 jaar ruim 500 ceremonies voor overleden (ex-)daklozen in Brussel

Tussen 2005 en 2020 zijn er 518 ceremonies georganiseerd voor overleden daklozen in onze hoofdstad. Dat maakt Collectief Straatdoden vandaag bekend. De organisatie roept de politiek op om dringend werk te maken van extra maatregelen om daklozen te ondersteunen. 

Al meer dan 15 jaar zet het Collectief Straatdoden zich in om straatdoden in onze hoofdstad een waardig afscheid te geven. Met een team van vrijwilligers en professionelen begeleidt het collectief families en nabestaanden bij het rouwen om de overleden persoon en organiseert het plechtigheden.

De term "straatdode" verwijst naar elke overleden persoon die ooit tijdens zijn of haar leven op straat heeft geleefd en dus dakloos was. Van alle mensen van wie het overlijden tussen 2005 en 2020 aan het Collectief werd gemeld, leefde meer dan de helft op straat (51 procent). Andere mensen leefden op het moment van hun overlijden in een woning (26 procent), andere in een rusthuis (9 procent), en weer andere in een onthaaltehuis (7 procent), een kraakpand (4 procent) of bij vrienden (3 procent).

518 ceremonies

Tussen 2005 en 2020 zijn er 518 ceremonies georganiseerd voor Brusselse straatdoden, een 60 procent daarvan zijn georganiseerd door of in samenwerking met het collectief. Daarnaast zijn 144 mensen gerepatrieerd naar hun land van herkomst. Het gaat voornamelijk om mensen uit Marokko en Polen.

Het collectief heeft weet van 762 straatdoden in Brussel in de afgelopen 15 jaar. "We zijn ervan overtuigd dat het werkelijke aantal straatdoden hoger ligt, omdat de informatie over sterfgevallen niet altijd tot bij ons geraakt", vertelt Delphine Struyf, woordvoerster van DIOGENES, de vzw achter Collectief Straatdoden. "Daarom moeten we nadenken over een betere manier om het aantal straatbewoners dat in België en Brussel overlijdt in kaart te brengen. Zo zouden we onze activiteiten kunnen aanpassen, alsook vooroordelen over daklozen kunnen wegwerken."

Op straat, maar ook in het ziekenhuis

Straatdoden sterven - hoewel de term anders doet vermoeden - meestal in het ziekenhuis. Zo'n 43 procent van hen sterft in het ziekenhuis, 15 procent van de overlijdens die het collectief verneemt, vinden rechtstreeks op straat plaats, 12 procent in woningen en 10 procent op een andere semi-publieke plaats. De overige sterfgevallen doen zich voor in rusthuizen (6 procent), noodopvangcentra (3 procent), kraakpanden (4 procent), onthaaltehuizen (3 procent), bij naasten (3 procent) of in hotels (1 procent).

"Opvallend is dat er bijna acht keer minder vrouwen bij de sterfgevallen zijn dan mannen", zegt Delphine Struyf. "Nochtans zijn vrouwen ongeveer 25 procent van de straatbewoners in Brussel. We denken dat vrouwen minder snel herkend worden als dakloze, door het stereotiepe beeld van de dakloze man. Vrouwen vinden vaak ook sneller onderdak bij een opvanghuis en vrienden." 

Hoewel de meeste afscheidsceremonies door de gemeenten worden betaald (52 procent), wordt een groot aantal gefinancierd door de families van de overledenen (43 procent). Ook wordt 3 procent gefinancierd uit het eigen vermogen van de straatdode. 

Thermometerbeleid

Naast de bekendmaking van deze cijfers, wil het collectief benadrukken dat daklozen het hele jaar door sterven. "Daklozen sterven niet vaker in de winter dan in de zomer", stelt Struyf. "We moeten afstappen van het "thermometerbeleid" en structurele oplossingen voorstellen, die een diepgaand en blijvend verschil maken voor dakloze personen en hun levensomstandigheden."

Het collectief roept de politiek daarom op om daklozen beter te ondersteunen en zo ook het aantal daklozen en straatdoden te verminderen. "Meer in het algemeen pleiten we voor kortere wachtlijsten voor sociale huisvesting, een verhoging van het minimuminkomen in verhouding tot de kosten van fatsoenlijke huisvesting, en een uitbreiding van het aanbod van huisvestingsoplossingen en gepersonaliseerde begeleiding van dakloze personen."

Meest gelezen