Museum van Deinze en de Leistreek stelt oorspronkelijk gedicht van Guido Gezelle tentoon

Het Mudel, het Museum van Deinze en de Leistreek, stelt sinds kort een bijzonder waardevol manuscript tentoon: een oorspronkelijk gedicht van de Brugse dichter Guido Gezelle. Hij schreef het 123 jaar geleden als ode aan Wontergem, een deelgemeente van Deinze, en aan een bevriend pastoor die daar woonde. 

Het oorspronkelijk manuscript met gedicht van  de bekende dichter Guido Gezelle is 4 generaties lang in handen van een familie uit Deinze gebleven.  In het gedicht bewierookt Gezelle deelgemeente Wontergem, waar de familie ook vandaan komt. Conservator Wim Lammertijn is verheugd dat de familie het gedicht aan het Mudel, Museum van Deinze en de Leiestreek, heeft geschonken. "De familie wou blijkbaar dat het gedicht in de streek bleef", zegt Lammertijn. 

Het gaat om een van de twee bekende gedichten van Guido Gezelle over Deinze

Conservator Wim Lammertijn

"Gedichten over de Leiestreek zijn zeer zeldzaam", gaat de conservator verder. "Over Deinze zelf bestaan maar 2 bekende gedichten van Gezelle. Dit gedicht is er een van, dus we zijn heel blij dat we dit gedicht kunnen toevoegen aan onze collectie." 

Gezelle schonk het gedicht aan een bevriende priester op zijn jubileum. "Hij heeft het geschreven op 29 december 1898. Kort daarna overleed de broer van Gezelle, waardoor hij het gedicht niet zelf heeft kunnen voorlezen op het jubileum", klinkt het nog bij de conservator.

Deel van collectie

Het gedicht is op 15 velletjes papier geschreven, aan de achterkant van een proefdruk van Guido Gezelle. Het is nu deel van de permanente collectie van het Mudel en is te bezichtigen in een kijkvitrine.  

Lees het volledige gedicht:

O Wonder Wonterghem
O Wonder Wonterghem. nabij de nieuwe statie,
om éénen man alleen de wereld door bekend,
wat ben ik blij van, op dien man zijn invitatie,
te zitten hier, zijn stove en zijnen disch omtrent!
Veel liever ate ik voort en dronke ik, maar ze zeggen
dat ik nen penning eerst moet in de schale leggen.

Daar diepe in’ t vaderland van Saint-Louis, dat heden
maar half zo zwaar en weegt, als dat het eertijds woeg,
daar was er, ’t is nu wel zes honderd jaar geleden,
een man geboren die Sint Pieters name droeg;
Nolascus hiet hij en niet ver van Carcassonne
ontsproot het edel vocht van zijne Ievensbronne.

Die man ... ge weet het wel, Cyril, die subdiaken
geworden zijt onlangs en hier aan tafel zit,
dat ge in de vroegste maand van 't jaar veel schoone zaken
ter eere van dien man in zijn getijden bidt.
Die man, een wonderman, patroon is hij van dezen
die hier in Wonterghem nadien ging herder wezen.

Geboren wierd hij op den dag als van deze aarde
Nolascus henen voer en bij Sint Pieter kwam,
Die, danig welgezind, het nieuws hem openbaarde
dat God Nolascus tot een hemelsch voorbeeld nam
van nog zulke enen. die, in de Oudenaardsche stede
geboren, priester zou en pastor worden mede.

‘Ik hoor’ zei Petrus, al de deuren dichte dringen
Van ’t hemelsch Paradijs, ‘de blijde moeder van
dat uitverkoren kind alree douw douw douw zingen;
ik zie ze ’t kussen hoe en waar ze ’t kussen kan;
zoo zal hij ook nadien al de onuitputbaarheden
van zijn liefdadig herte eens aan zijn volk besteden.

‘Ik zie’ zei Petrus nog, ‘gelijk de lelie bloeien
die onvolwassen is, den jongen leerkalant;
ik zie hem naar de kerke of naar de schole spoeien
ik zie hem loopen naast zijn makkers, hand aan hand;
ik hoor hem lachen dat het klinkt en luider kelen
zijn stemme, helder als een orgelstemme spelen.

‘Ik zie te Gheeraartsberghe, een bende jonge geesten
hem dwingen naar zijn vast en vaderlijk geweld;
ik zie ze luisteren, de minsten en de meesten,
hem volgend, daar hij voet en voorbeeld voorenstelt;
ik zie hem, daar alreê, den goeden herder trachten
als herder na te gaan, in 't heerlijk schapenwachten.'

'Ik zie' - 't was Petrus, die dat altemaal vertelde
zijn goeden naamgenoot Nolascus, mij verstaat -
'hem priester worden nu te Gent. alwaar de Schelde
de Leye tegenkomt en met heur medegaat.
Hij trekt naar Eyne toe: daar vindt hij Vanderstraeten.
Lijk Leye en Schelde en gaan ze elkander nooit verlaten.’

O vriendschap, edel kruid, op aarde veel te zelden
te vinden, gave Gods, die, sterker als de dood
twee herten één deedt zijn en zelfs die geuzenvelden
den taaien tegenstand van uwe vastheid boodt.
O vriendschap, eere aan u, die, bij nen vriend gezeten.
ons van dit edel kruid hier laat de vruchten eten!

Hij pastort nu, de vriend, te Wonterghem. Geleden
is 't vijf-en-twintig jaar, dat Sente Pieters mond
hij waarheid spreken deed en, vol eerweerdigheden,
als priester van den Heere, op ‘s autaars hoogten stond;
hij sprak, hij leerde ‘t woord van God en sloeg degenen
die onkruid zaaiden, zak en zaaikleed vóór de schenen.

Wie is er hulpeloos, in Wonterghems waranden?
Wie mist er raad of daad? Waar is er een van al,
Hoe groot, hoe kleen hij zij, die ’s pastors liefdehanden
met reden, ruw of slap, of nauwheid wijten zal?
Gij, zuster, weet het best en ‘k hoore uw zwijgend spreken
op al hetgeen ik zeg den waarheidstempel steken.

Gij lieden weet het best, ministers, senateuren,
Verbeelders van het volk, te Brussel of te Gent;
gij. die van kluiten weet en kruiskens draagt, uw deuren,
wie is ’t die ze ommeloopt en al de sluipen kent?
om hier en daar nen duw te doen en wel ter talen
een lang gewenschte gunst van elders af te halen.

Gij, kerke, weet het best, gij autaar, biechtstoel; binnen-
en buitenwerken, aI dat ’s herders ambt betreft
is heerlijk zooals hij of zal eerlang beginnen
te smaken naar den trog, daaruit hij bakten heft;
en al die 't ambacht doet naast hem, bij zijnen oven
is van zijn vriendlijk meel zeer zelden onbestoven.

Nu moete ik al met eens een lange reize wagen
naar ’t land van berg en dal; vaarwel goê vrienden, 'k vaar
naar ’t lieve Zwitserland, ik wensch u veel goê dagen;
doch ... hier is Zwitserland en Belgenland te gaâr.
De pastors huis en hof zijn Zwitserland en, krijge ik
van die hier Zwitser is, een teuge wijn, zoo zwijge ik.

Guido Gezelle
29/12/’98

Meest gelezen