Over één ding ben ik het niet eens met Ivan De Vadder 

Het boek "Wanhoop in de Wetstraat" van wetstraatwatcher en VRT-journalist Ivan De Vadder lokt veel reacties uit. Ook professor politieke wetenschappen Stefaan Walgrave kruipt in zijn pen. Hij is het niet volledig eens met de kritiek die De Vadder geeft op de particratie. Volgens Walgraeve leest het boek "behoorlijk pessimistisch".

In "Wanhoop in de Wetstraat" doet Ivan De Vadder verslag van 30 jaar politieke worsteling met wat we politieke vernieuwing zijn gaan noemen in ons land (soms ook: verfijning van de democratie). Zwarte Zondag (november 1991) en de doorbraak van het Vlaams Belang (toen nog Vlaams Blok) dropten een bom in de Belgische politiek.

Het maakte het ongenoegen van burgers met de manier waarop onze democratie werkt tastbaar en zichtbaar. Het gaf ook aanleiding tot het veelvuldig spreken over de ‘Kloof’ tussen burgers en politiek. 

Na het politieke ongenoegen in het eerste deel van het boek meticuleus gedissecteerd te hebben ― dat eerste deel leest bijna als een wetenschappelijk traktaat ― is het boek van De Vadder een kroniek van de vele pogingen die er sinds 30 jaar ondernomen zijn om het ongenoegen te counteren. 

Bekijk het gesprek met Ivan De Vadder in "De afspraak":

Videospeler inladen...

Antipolitiek

Het gaat allemaal om structurele wijzigingen die de burgers meer invloed (of meer vrijheid) moeten geven, die politici van hun privileges berooft, die belangenvermenging bemoeilijken etc. De Vadder stelt dan vast dat al die maatregelen geen moer geholpen hebben, het ongenoegen is niet gedaald, in sommige opzichten is het gewoon verder gestegen. "Wanhoop in de Wetstraat" is bijzonder goed gedocumenteerd. Bijna encyclopedisch wordt in soms pittig detail beschreven welke maatregelen, door wie werden voorgesteld, besproken, afgewezen en soms later terug opgepikt.

Voor iemand die wil weten hoe onze politici zich de laatste decennia geweerd hebben tegen de antipolitiek is dit een bijzonder volledig en nuttig naslagwerk. Als docent politieke wetenschappen had ik vaak de indruk dat ik stukken door mijn studenten zou kunnen laten lezen, en ook had ik regelmatig een "Tiens, zat dat zo?"-gevoel. 

Je voelt ook dat De Vadder met ongerustheid over het ongenoegen spreekt. Hier is geen gratuite criticaster aan het woord, maar iemand die echt geeft om politiek, die de representatieve democratie een warm hart toedraagt, zich bezorgd in het haar krabt en zich afvraagt of het wel goed komt (en of hij kan helpen).

Het boek, zeker het eerste deel, is ook opvallend wetenschappelijk opgevat met een brede en diverse selectie van bronnen die het ongenoegen in kaart brengen. Ook het hoofdstuk waarin De Vadder de werking, logica en geschiedenis van de representatieve democratie uit de doeken doet, getuigt van kennis en belezenheid. 

Je voelt dat De Vadder met ongerustheid over het ongenoegen spreekt.

Hoewel De Vadder regelmatig naar andere landen verwijst, zit in het feit dat ook in andere landen het ongenoegen hoog is en blijft ook onmiddellijk het antwoord op de vraag besloten waarom al die Belgische maatregelen geen zoden aan de dijk brengen: politiek ongenoegen, vooral dan de afkeer van partijen en politici ― die het volk moeten vertegenwoordigen ― is een structureel en fundamenteel fenomeen.

Welke maatregelen?

Het heeft niet te maken met de hoogte van de parlementaire vergoedingen, het gewicht van de lijsstem of de opkomstplicht, het zit dieper. Welke maatregelen om zichzelf te straffen of de burger meer inspraak te geven, politici ook nemen, de kans is klein dat die effect sorteren. 

Dat wil niet zeggen dat die maatregelen niet moeten genomen worden ― ik ben zelf bijvoorbeeld grote fan van decumul ― maar we mogen er niet van verwachten dat ze het politieke wantrouwen zullen keren. 

Omwille van politieke hygiëne zijn er soms goede argumenten om na te denken over het vergoedingstelsel van politici bijvoorbeeld, of om politici te ontmoedigen in infotainment-programma’s op te treden. Maar wie verwacht echt dat wat armere politici die alleen in het journaal opduiken plots wel op grote sympathie van de bevolking zullen kunnen rekenen? Sommige van de maatregelen die werden goedgekeurd, werden wellicht ook alleen maar verkocht door politici als een manier om de kloof te dichten, terwijl ze andere bedoelingen hadden.

Het boek van De Vadder leest behoorlijk pessimistisch.

Het boek van De Vadder leest behoorlijk pessimistisch, een plejade van goedbedoelde initiatieven waarvan er een aantal de meet halen maar het wantrouwen krijgt geen deuk. Maar misschien is de kern van het ongenoegen nog dieper en gaat het om ongenoegen over het principe van representatieve democratie zelf. 

Burgers verkiezen andere burgers die voor hen zullen beslissen. Die delegatie naar de volksvertegenwoordigers veronderstelt een basisvertrouwen dat die volksvertegenwoordigers genoeg goede bedoelingen hebben en genoeg gemeenschappelijk hebben met degenen die hen verkozen om de belangen en preferenties van die kiezers ook adequaat te verdedigen. 

Soms lijkt het er op neer te komen dat sommige burgers ontkennen dat representatie kàn werken: "Niemand is in staat mijn besognes en zorgen echt te voelen, en daar eerlijk mee politiek aan de slag te gaan’" Als dat het geval is, dan gaat zelfs decumul niet helpen natuurlijk.

Particratie

Waar ik vind dat De Vadder het niet bij het rechte eind heeft, is wanneer hij keer op keer de particratie op de korrel neemt en ze aansprakelijk acht voor het wantrouwen.

Particratie is inderdaad een scheldwoord geworden, een soort van passe-partout waar alles wat slecht is aan kan verweten worden. Er zijn uiteraard uitwassen, en dan denk ik vooral aan de ‘bezetting’ van de staat door partij-aanhankelijken en de soms verregaande politisering van het overheidsapparaat (maar er zijn aanwijzingen dat dat op de terugweg is). 

Maar we mogen het kind niet met het badwater weggooien. Partijen zijn absoluut nodig om de democratie te doen werken. Kiezers stemmen voor partijen en hun programma, en die proberen hun programma dan te realiseren en gaan daarna terug naar de kiezer om beloond of afgestraft te worden. Partijen krijgen een mandaat en moeten op het einde verantwoording afleggen. 

We hebben niet alleen partijen nodig, die moeten bovendien ― zeker in een gefragmenteerd systeem als het onze ― intern homogeen en zelfs gedisciplineerd zijn. 

Partijen zijn absoluut nodig om de democratie te doen werken. 

Dat niet elke parlementair zijn eigen mening volgt en vrij stemt zorgt er net voor dat partijen beloften kunnen aangaan en samen dingen realiseren, doordat ze er op kunnen rekenen dat ze de nodige stemmen zullen kunnen leveren aan elkaar.

Ook zorgen homogene partijen voor duidelijkheid voor de kiezers. Er zijn nu al zeven partijen, stel je voor dat die allemaal bestaan uit vleugels of tendensen, het zou helemaal onmogelijk worden voor kiezers om te weten welke partij het best bij zijn of haar preferenties past want je weet niet meer waarvoor je stemt. 

Natuurlijk zijn individuele politici nodig en mogen die een mening geven, ze worden verkozen omwille van hun mening, maar in een partijdemocratie doen ze dat in de eerste plaats binnen hun partij en proberen ze hun collega’s binnen de partij te overtuigen om dan met één gedragen standpunt verder te gaan.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat een hiërarchische, interne partijorganisatie met een sterke voorzitter die zijn of haar partij in de hand houdt niet per definitie negatief is. Het zal de consistentie en de transparantie van waar de partij voor staat wellicht meestal ten goede komen.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.

Meest gelezen