Video player inladen ...

70 jaar geleden mochten vrouwen voor het eerst gaan stemmen

Vandaag is het 70 jaar geleden dat vrouwen in ons land volwaardige politieke rechten kregen: de wet van 27 maart 1948 voerde stemplicht voor hen in en liet hen ook toe deel te nemen aan de parlementsverkiezingen. België was hier zeker geen trendsetter, maar was ook niet het laatste Europese land om de vrouwen volwaardige politieke rechten te geven. Griekenland bijvoorbeeld deed het pas in 1952.

In de Belgische grondwet van 1830 staat dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, maar in de 19e eeuw bleek de realiteit daarvan enigszins af te wijken. Het zou zelfs nog meer dan een eeuw duren voor alle burgers gelijke politieke rechten kregen.

Aanvankelijk geldt in ons land het cijnskiesrecht: alleen mannen die een bepaald belastingniveau halen, mogen stemmen. In de praktijk betekent dat alleen rijke mannen.

In 1893 wordt het cijnskiesstelsel vervangen door het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen. Elke volwassen man mag dan een stem uitbrengen, maar naargelang van het vermogen, de gezinssituatie en de diploma's kunnen daar nog stemmen bij komen, tot een maximum van 3.

De eerste feministische stapjes

Op het einde van de 19e eeuw beginnen vrouwen zich te roeren, zij het heel voorzichtig. De eerste feministische organisatie wordt opgericht in 1892 naar aanleiding van de weigering door de balie van Marie Popelin, de eerste vrouwelijke jurist in ons land.

De eerste feministes komen vooral uit de liberale burgerij, maar houden zich nog niet echt bezig met politiek.

Eigenlijk werd niet gekeken naar de rechten van vrouwen, maar naar de consequenties op het vlak van stemmenpotentieel

Els Flour (historica)

De Belgische Werkliedenpartij (BWP), de voorloper van de socialistische partij, komt in 1894 als eerste op voor het algemeen stemrecht op alle niveaus en zonder onderscheid van geslacht. Maar voorlopig is het hemd nader dan de rok: aan het begin van de 20e eeuw gaan de socialisten voor het algemeen en enkelvoudig mannenstemrecht en laten ze het vrouwen­stemrecht vallen. Ook de liberale partij  heeft geen haast: ze vreest dat vrouwen te veel door de kerk worden beïnvloed. De katholieken werpen zich wel op als verdedigers van het vrouwenstemrecht. Ze zien de vrouwen vooral als een soort buffer tegen het oprukkende "rode gevaar".

"Eigenlijk werd niet gekeken naar de rechten van vrouwen, maar naar de consequenties op het vlak van stemmenpotentieel van het al dan niet toekennen van stemrecht aan vrouwen", legt historica Els Flour uit. Door de Eerste Wereldoorlog verdwijnen de feministische eisen voor enkele jaren naar de achtergrond. (Lees verder onder de video)

Video player inladen ...

Het lokale niveau eerst aan de beurt

In 1919 komt er een eerste schuchtere doorbraak en krijgen vrouwen stemrecht op gemeentelijk niveau. Toch gelden er enkele opvallende beperkingen. Zo krijgen prostituees geen stemrecht. Vrouwen kunnen wel schepen of burgemeester worden, maar moeten daarvoor de toestemming van hun echtgenoot krijgen. 

Vrouwen krijgen ook passief stemrecht op provinciaal en nationaal niveau: ze mogen zelf niet stemmen, maar kunnen zich wel verkiesbaar stellen.

Intussen beginnen politieke partijen zich te realiseren dat er zoiets bestaat als een vrouwelijk kiespubliek en ze beginnen daar ook op in te spelen in hun campagnes. Toch wordt het vrouwelijk electoraat in een eerste stadium vooral aangesproken als huisvrouw of moeder. Bij de gemeenteraads­verkiezingen van 1921 blijkt dat de vrouwen zich niet zozeer laten leiden door de Kerk, maar wel door hun echtgenoot. 

Over heel het land worden slechts 196 vrouwen verkozen, van wie er 13 tot schepen en 6 tot burgemeester worden benoemd. Vrouwelijke verkozenen vertegenwoordigen slechts 1 procent van het aantal raadsleden, voorlopig blijft de politiek vooral een mannenzaak.

Uitstel door oorlog

Tussen de twee wereldoorlogen is het aantal vrouwelijke parlementsleden bijzonder laag. De Kamer telt 3 vrouwelijke leden, de Senaat 3 gecoöpteerde vrouwelijke senatoren. "Dan had je de bizarre toestand dat vrouwen in het parlement zaten, terwijl ze niet eens mochten stemmen voor het parlement", zegt Els Flour.

Van een echt keerpunt kan je niet spreken, maar het bleek niet langer houdbaar om de boot van het vrouwenstemrecht af te houden

Els Flour (historica)

Die vrouwen zijn overigens niet noodzakelijk pleitbezorgsters van de vrouwelijke zaak: zo stemt senator Marie-Anne Spaak-Janson (BWP) in 1929 tegen een voorstel voor volwaardig vrouwenstemrecht. "Zij volgde gewoon de partijconsignes", verklaart Flour.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt het principe niet meer in vraag gesteld. "Van een echt keerpunt kan je niet spreken, maar het bleek niet langer houdbaar om de boot van het vrouwenstemrecht af te houden", zegt Els Flour. "De tijden waren veranderd en de oude argumenten golden niet meer." De wet van 27 maart 1948 voert de stemplicht voor vrouwen in voor de parlementsverkiezingen. Het provinciaal stemrecht volgt enkele maanden later.

Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis

Het mannenbastion brokkelt af

Dat vrouwen volwaardige politieke rechten hebben, betekent niet dat ze daarom ook voor vrouwen stemmen. Tot 1974 blijft het aantal vrouwelijke verkozenen beperkt tot 3 procent. De vrouwelijke witte raven in het parlement houden zich vooral bezig met zaken die vrouwen na aan het hart liggen, en de meeste partijen kunnen zich daar best in vinden.

De ministerpost van Gezin en Huisvesting is speciaal voor Margueritte De Riemaecker-Legot gecreëerd

Els Flour (historica)

In 1965 komt er voor het eerst een vrouw in de regering. Marguerite De Riemaecker-Legot (CVP) wordt dan minister van Gezin en Huisvesting in de regeringen-Harmel I en Vanden Boeynants I. "Die ministerpost is speciaal voor haar gecreëerd", duidt Els Flour. "Haar bevoegdheden waren toch wel echt traditioneel vrouwgericht."

Lees verder onder de foto.

Miet Smet (CVP) is de allereerste die in de regering bevoegd wordt voor Maatschappelijke Emancipatie en Gelijke Kansen. We zijn intussen in de jaren 80 beland. "Smet heeft toch veel gedaan met die bevoegdheden", vertelt Els Flour. "Ze nam onder meer maatregelen tegen intrafamiliaal geweld en deed iets aan de aanwezigheid van vrouwen in de politieke besluitvorming."

Lees verder onder de foto.

Vanaf 1994 moet minstens een derde van de kandidaten voor de verkiezingen vrouw zijn. Dat betekent niet noodzakelijk dat vrouwen automatisch een verkiesbare plaats krijgen, waardoor ze in de politiek ondervertegenwoordigd blijven. Daarom pleiten vrouwenorganisaties ervoor om het ritsprincipe verplicht te maken. Daarbij wisselen mannen en vrouwen elkaar af op de kieslijsten. Momenteel geldt dat ritsprincipe alleen voor de eerste twee plaatsen op de kieslijst.

Ook over de vertegenwoordiging van vrouwen in de uitvoerende macht blijft er nog veel ontevredenheid. Dat blijkt tien jaar geleden nog, als CD&V-vrouwen een protestactie voeren in de Kamer, net voordat kersvers premier Yves Leterme (CD&V) zijn regeringsverklaring voorstelt.

En hoe zit het vandaag? "Het bestrijden van gender based violence staat nog altijd hoog op de politieke agenda", aldus Els Flour. "Maar de besparings­maatregelelen van de laatste legislaturen hakken wel zwaarder in op de sociaal-economische positie van vrouwen." Verkiezing na verkiezing wordt het aandeel van vrouwen in de politieke organen wel groter, maar op het maatschappelijke terrein is er nog enig werk aan de winkel op het vlak van gelijkberechtiging.