100 jaar geleden: Groot Duits offensief in het westen

In deze reeks brengen we grote en kleine verhalen tijdens de Eerste Wereldoorlog 100 jaar geleden, deze week van 21 tot 27 maart 1918. Het lang verwachte Duitse offensief in het westen is begonnen, de Geallieerden zijn kilometers ver teruggedrongen. Parijs wordt bestookt door Duitse superkanonnen. En Nederland staat dicht bij deelname aan de oorlog.

Het Duitse offensief in het westen is dan toch begonnen.

Een verrassing is dit zeker niet. Er was de voorbije weken grote activiteit van Duitse troepen achter het Westelijk Front waargenomen en iedereen wist dat de Duitse legers vanuit het oosten massaal werden overgeplaatst. Ze zijn nu zo talrijk dat ze wellicht voor het eerst een overwicht in het westen hebben. Maar waar Hindenburg en Ludendorff wilden aanvallen, bleef tot op het laatst een goed bewaard geheim.

De aanval gebeurt in Picardië, langs het front aan de Somme, over een afstand van meer dan 50 km tussen Arras en Laon. Daar liggen de gebieden waaruit de Duitsers zich vorig jaar hadden teruggetrokken. Het zijn twee Britse legers die daar de schok moesten opvangen. 

Duitse troepen rukken op door Saint-Quentin; beginfoto, Duitse militairen bij een buitgemaakte Britse tank (Collectie Deense Nationale Bibliotheek)

Op 21 maart rond 4 uur ’s morgens begon de artillerie over het hele front te vuren, zij het voor een vrij korte tijd. Tegen 9 uur trad de infanterie in actie.

De door de Duitsers ontwikkelde tactiek liet toe de vijandelijke stellingen snel in te nemen.

In het noorden van de aanvalszone konden de Britten eerst nog vrij goed stand houden, maar ten westen van St-Quentin werden ze weggevaagd.

Op de tweede dag van de aanval zeiden de Duitsers al 16.000 gevangenen en 200 kanonnen te hebben buitgemaakt.  De dag daarop veroverden ze Péronne en Ham, waarna ze de Somme konden oversteken.

Duitse soldaat bij een groep Britse krijgsgevangenen © IWM (Q 23847)

Meer naar het zuiden veroverden de Duitsers op 24 maart Chauny, een stadje dat ze vorig jaar nog met de grond gelijk hadden gemaakt. De volgende nacht voerden ze in het noorden een nieuwe aanval uit op Bapaume, waar de Britten tot dan toe hadden kunnen standhouden. Maar ook deze stad is nu (opnieuw) in Duitse handen.

De Britten namen de 26ste nieuwe stellingen in ten noorden van de Somme, maar ondanks hevige tegenstand moesten ze Albert opgeven. Dat stadje, waar de voorbije jaren meermaals werd gevochten, was nog nooit eerder in Duitse handen gevallen.

Diezelfde 26 maart verhevigden de Duitsers hun aanval in het zuiden, tussen de Somme en de Oise. Ze veroverden de steden Roye en Noyon op het Franse leger. De volgende dag bleven ze naar het westen opschuiven en bereikten Montdidier.

Oprukkende Duitse cavallerie, op de voorgrond een gesneuvelde Britse mitrailleur in een loopgracht © IWM (Q 29889)

In een week tijd zijn de Duitse legers tot 40 km opgeschoten. Vergeleken met alle vorige offensieven aan het Westelijk Front is dat een ongezien succes. Duitsland zegt al 50.000 krijgsgevangenen te hebben gemaakt. De snelle opmars heeft ook een stroom vluchtelingen op gang gebracht.

Voor de Geallieerden is de bedreiging niet te onderschatten. De Duitse vooruitgang tot aan Montdidier zou een enorme bres in de Brits-Franse linies kunnen slaan. De grote stad Amiens, een belangrijk verkeersknooppunt op amper 30 km van Albert, wordt nu rechtstreeks bedreigd. Bovendien vrezen de Fransen voor hun hoofdstad nu Noyon, op 100 km van Parijs, weer in Duitse handen is.

Kaart met de Duitse terreinwinst in de eerste dagen van het offensief, het stadje Albert is nog niet gevallen

Parijs onder vuur van superkanon

Sinds 23 maart wordt de Franse hoofdstad overdag gebombardeerd. Met tussenpozen van twintig minuten vonden er ontploffingen plaats in Parijs en de nabije gemeenten.

Aanvankelijk dachten sommigen dat een vliegtuig op zeer grote hoogte bommen liet vallen. Maar onderzoek van de fragmenten van de ontplofte projectielen tonen aan dat het gaat om artilleriegranaten van 21 cm.

Schade aan een woning op de Parijse 'Quai de Jemappes' (BnF Gallica)

Omdat de Duitse linies meer dan honderd kilometer ver liggen, moet het gaan om een speciaal kanon dat heel ver kan schieten. Er werd ook gedacht aan raketten of aan een kanon dat in een Zeppelin wordt afgeschoten.

Zekerheid kwam er toen de Duitsers een felicitatietelegram bekendmaakten van keizer Willem II aan baron Krupp von Bohlen und Halbach, de baas van de befaamde kanonnenfabriek Krupp in Essen. Daarin staat:  “Uw nieuw geschut heeft met de beschieting van Parijs op een afstand van meer dan 100 kilometer zijn test met glans doorstaan. U hebt met de realisering van het kanon een nieuwe glorie aan de geschiedenis van het huis Krupp toegevoegd. Ik spreek dan ook aan U en Uw medewerkers mijn keizerlijke dank uit voor deze prestatie van Duitse kunde en Duitse arbeid.

Duits superkanon in actie © IWM (Q 65804)

Volgens sommige berichten zou het kanon al zijn gelokaliseerd en beschoten door de Franse artillerie. Het zou 12 km achter de gevechtslinies liggen.

De eerste dag vielen er vanaf de vroege ochtend een twintigtal projectielen. Er vielen toen 15 doden en 29 gewonden. De dag daarop hernam het bombardement, maar later. Het lijkt erop dat de Duitsers gewacht hadden op het verschijnen van de kranten om de schade van de vorige dag te weten te komen! Een granaat trof een kerk tijdens de hoogmis, waarbij tientallen gewonden vielen.

Sommigen vragen om kinderen en ouderen uit de hoofdstad te evacueren, maar de Franse regering wil voorlopig geen speciale maatregelen nemen.

Een verwoeste kiosk op een pleintje in Parijs (Collectie Rol, BnF Gallica)

Zeegevecht bij Duinkerke

In de vroege ochtend van het begin van de Duitse aanval vond een gevecht op zee plaats ter hoogte van Duinkerke, vlakbij de Belgische grens.

Negen Duitse torpedoboten en zes destroyers begaven zich op weg vanuit Zeebrugge om de Geallieerde depots en spoorwegverbindingen bij Duinkerke te beschieten.

Ter hoogte van De Panne botsten de Duitse schepen op een Franse destroyer en twee Britse monitors van de Dover Patrol. Die hielden de onbezette Belgische kust in de gaten om een eventuele Duitse landing te verhinderen.

Schepen van de Dover Patrol in gevecht met Duitse schepen in de Noordzee (tekening uit The Sphere, februari 1919)

Meteen kwamen andere Britse en Franse schepen vanuit Duinkerke aangevaren. De Duitse torpedoboot A19 werd geramd door de Britse destroyer ‘Botha’.  Een andere torpedoboot, de A7, werd getroffen door een torpedo van de Franse destroyer ‘Capitaine Mehl’ en kanonschoten van een andere Franse destroyer. Beide Duitse torpedoboten zonken. De meeste bemanningsleden kwamen om, enkele zijn gevangen genomen.

De andere Duitse schepen maakten rechtsomkeer zonder schade te hebben veroorzaakt aan de kust.

Omdat de elektrische installatie van de ‘Botha’ werd beschadigd bij het rammen, kon het schip geen lichtsignalen meer uitzenden om zich te doen herkennen. Daardoor schoot de ‘Capitaine Mehl’ een torpedo naar de ‘Botha’. De Britse destroyer werd getroffen maar bleef drijven en kon naar Duinkerke worden gesleept.

HMS Botha (IWM)

“Schepenroof” brengt Nederland op rand van oorlog

Op 21 maart zijn alle Nederlandse koopvaardijschepen in Britse havens in beslag genomen. De dag daarvoor gebeurde hetzelfde in de Verenigde Staten. Frankrijk nam intussen dezelfde maatregel.

Daarmee verliest Nederland in één klap een groot deel van zijn handelsvloot. In de Verenigde Staten alleen gaat het om 90 schepen.

De meeste schepen waren al maandenlang in de havens geblokkeerd. Een Nederlands schip mocht alleen nog vertrekken als er een ander voor in de plaats kwam. Nederland zelf was door de Geallieerde blokkade vrijwel onbereikbaar voor de schepen geworden.

"Dezer dagen ben je liever een vliegende Hollander dan een varende", uit het Weense Kikeriki, 31 maart 1918

Er werd de voorbije weken onderhandeld over de toekomst van de vloot. Het neutrale Nederland wilde vergaande toegevingen doen, maar wordt nu voor een voldongen feit gesteld.

De Verenigde Staten willen de schepen nu voor eigen rekening gebruiken en bewapenen. De bemanning mag blijven varen, onder het gezag van Amerikaanse officieren.

In Nederland wordt furieus gereageerd op de “schepenroof”, zoals de kranten het noemen. Veel politici, ook ministers en naar het schijnt koningin Wilhelmina zelf, willen de VS een ultimatum sturen. Dat zou bijna zeker betekenen dat Nederland in de oorlog aan Duitse zijde gaat meevechten.

Karikaturen uit het Nederlandse weekblad "De Toekomst", 6 april 1918

Buitenlandse Zaken in Den Haag reageert echter behoedzaam, net als de Nederlandse zakenwereld.  De maritieme en koloniale bedrijven hebben immers heel veel te verliezen in een oorlog met de Entente. 

Op de Amsterdamse beurs herstelden de aandelen van de Nederlandse rederijen zich snel na een gevoelige daling.  Blijkbaar vinden de reders, toch de eerste getroffenen van de  “schepenroof”, het niet zo erg dat hun schepen voor rekening van de Geallieerden varen. 

De grote benadeelde van de maatregel is dan ook niet Nederland maar Duitsland. Velen vrezen dan ook dat Duitsland zich nog harder tegen het neutrale land zal opstellen.

"Het perfide Albion valt de Hollandse maagd lastig", uit het Duitse Lüstige Blätter, nr 13, 1918

Britten over de Jordaan

In de ochtend van 21 maart (net bij het begin van het Duitse offensief in het westen) wisten de Britse troepen in Palestina de Jordaan over te steken.

Ten oosten van Jericho wisten Britse genietroepen de rivier over te steken al zwemmend en in bootjes. Ondanks het vuur van de Turken slaagden ze erin een pontonbrug aan te leggen.

Een paar dagen later waren al drie bruggen over de Jordaan gebouwd en rukten de Britten op naar de stad al-Salt, die na twee dagen vechten werd ingenomen.

Een van de Britse pontonbruggen over de Jordaan © IWM (Q 12602)

Vandaar volgde een aanval op het 30 km verder gelegen Amman. Amman is de belangrijkste stad van de streek en ligt aan de strategische Hidjaz-spoorweg.

De Britse troepen – inclusief Australische en Nieuw-Zeelandse eenheden - zijn in totaal 6000 man sterk. Amman werd door zowat evenveel Turken en Duitsers verdedigd, maar die kregen kort na het begin van de Britse aanval zo’n 15.000 man versterking. De Britten slaagden er dan ook niet in de stad te veroveren.

Nieuwe regering in Spanje

In Spanje is een nieuwe regering gevormd onder leiding van de conservatief Antonio Maura.

Na de zware politieke crisis van vorig jaar, met veel stakingen en rellen, kwam het in februari tot vervroegde verkiezingen in Spanje. Die verkiezingen verliepen zoals gewoonlijk niet erg eerlijk (vooral op het arme platteland het zuiden wordt er volgens een systeem van cliëntelisme gestemd). De conservatieven boekten vooruitgang, maar de liberalen bleven de grootste partij. Beide grote partijen zijn echter totaal verdeeld in klieken rond politieke kopstukken.

Antonio Maura en zijn nieuwe regering

Maura leidt nu een “regering van concentratie”, waarin  de voornaamste kopstukken zijn opgenomen, zoals de conservatief Eduardo Dato en de liberalen Manuel García Prieto en de graaf van Romanones, allen oud-premiers.

Maura (64) is zelf al tweemaal premier geweest. De laatste keer in 1909, toen hij in Barcelona een opstand (de “Semana Trágica”) bloedig deed onderdrukken en als gevolg daarvan de anarchistische pedagoog Francisco Ferrer liet fusilleren. Dat leidde toen tot wereldwijde protesten.

Maura heeft al meerdere keren gezegd dat Spanje in de oorlog absoluut neutraal moet blijven.

Een kaart van de Spaanse regio's en de koppen van de politici die er het plaatselijk leven beheersten; de kop van premier Antonio Maura staat op de Balearen, waar hij geboren was. Een aanklacht tegen het systeem van politiek cliëntilisme of 'Cacquismo' uit het satirisch weekblad Gedeon, 1897.