Het bloedbad van Amritsar, het begin van het einde voor de Britten in Indië

100 jaar geleden vermoordden Britse troepen in koelen bloede honderden Indiase mannen, vrouwen en kinderen tijdens een vreedzame meeting tegen de Britse overheersing. Het Bloedbad van Amritsar veroorzaakte een radicalisering van de publieke opinie in Brits-India en zou uiteindelijk tot de onafhankelijkheid van India (en Pakistan) leiden.

In de Eerste Wereldoorlog had een groot Indiaas leger het Britse rijk gediend. Naast de beroepsmilitairen die het leger reeds in 1914 telde, namen nog eens bijna anderhalf miljoen Indiërs vrijwillig dienst tijdens de oorlog. Het overgrote deel van hen werd overzees ingezet.

De Indiërs vochten onder meer in Afrika, in het Midden-Oosten, in Irak en ook bij ons, in Vlaanderen. Het was het grootste vrijwilligersleger dat tijdens de oorlog op de been was gebracht.

Een Sikh van de Indiase cavalerie in de buurt van West-Vleteren, april 1915 (War Heritage Institute, Brussel).

Voor de Indiase nationalistische leiders was de oorlog een gouden kans. Door het steunen van de Britse oorlogsinspanning zouden zij politieke toegevingen bekomen. Daarnaast, zo oordeelden ze, was het leren gebruiken van wapens van belang voor een land dat zelfstandig wil zijn.

Ook Mahatma Gandhi die in 1915 uit Zuid-Afrika was teruggekeerd, spoorde zijn landgenoten aan om in het leger te gaan. “Vrijwillig dienst nemen is de juiste sleutel tot zelfbestuur, om nog maar te zwijgen van de mannelijkheid en ruimdenkendheid die dit met zich meebrengt. (...) Een man die bang is voor de dood heeft het niet in zich passief verzet te plegen. Om echt te begrijpen wat de betekenis van vreedzaam verzet is, moet de kracht van het fysieke uithoudingsvermogen worden gecultiveerd”, zo verklaarde Gandhi tijdens een rekruteringsmeeting op 26 juni 1918.

Een barbier aan het werk in een kamp van een Indische cavalerie-eenheid tijdens de Slag bij de Somme, najaar 1916. © IWM (Q 4071)

Voor de Indiase soldaten was de Eerste Wereldoorlog een harde confrontatie met een conflict op industriële schaal.  Zo’n 60.000 Indiërs overleefden het niet en een veelvoud van hen raakte gewond.

In de ogen van de overlevenden had die “Grote Oorlog voor de Beschaving” het prestige van de Britten, en van het Westen in het algemeen, een serieuze deuk gegeven.  Het gebrek aan respect waarmee ze vaak door hun Britse officieren behandeld werden en het grote verschil in soldij - een Britse soldaat verdiende vier keer meer dan zijn Indiase collega – hadden de opinie van vele Indiase militairen veranderd. 

Toch keerden zij eind 1918 met grootse verwachtingen naar hun land terug. In ruil voor de oorlogsinspanningen waren immers hervormingen beloofd die hun meer zelfstandigheid zouden brengen.

Links: pas in het begin van de 21ste eeuw werd de Indiase aanwezigheid op het Westelijke Front aan de vergetelheid ontrukt. Pas in 2002 kwam er op vraag van de Indiase Republiek nabij de Menenpoort in Ieper een gedenkteken voor de Indiase militairen die in Vlaanderen streden. Rechts: volgens de intergeallieerde overwinningsmedaille die ook elke Indiase veteraan had gekregen, was de Grote Oorlog gevoerd “voor de beschaving”

De veteranen keerden echter terug naar een India in beroering. De Spaanse Griep had het subcontinent bijzonder hevig getroffen. Naast de vele miljoenen doden die de pandemie had geëist, waren honderdduizenden anderen getroffen door hongersnood. Stijgende prijzen door de oorlog hadden economische ellende veroorzaakt die weer uitmondde in openbare onrust en toenemend protest tegen de koloniale overheerser.

Betoging in Peshawar in de loop van 1919 aan de Kabulpoort, Brits-Indische militairen kijken toe vanachter een barricade. © 2017 Peter Charlesworth

Tegelijk had de oorlog de Indiase nationalisten versterkt. In 1916 hadden de twee belangrijkste partijen, de Moslimliga en de Congrespartij, een bondgenootschap gesloten. Het leiderschap verschoof nu definitief naar de charismatische Gandhi. 

En hoewel de Britten in 1918 niet langer het idee van zelfbestuur voor India afdeden als “belachelijk en absurd” om de woorden van onderkoning Lord Hardinge van kort voor het uitbreken van de oorlog te gebruiken, toch waren de Britse beloften voor een geleidelijk maar erg beperkt zelfbestuur in de ogen van de nationalisten “too little, too late”.

India was dan wel in eigen naam vertegenwoordigd op de Vredesconferentie van Parijs. Maar veel konden en wilden de pro-Britse vertegenwoordigers er niet bereiken. En de hervormingen die minister voor India Montagu en onderkoning Chelmsford voorstelden, voorzagen slechts in een gedeeld Brits-Indiaas bestuur, heel wat minder dan het gewenste zelfbestuur als een onafhankelijk deel van het Britse Rijk.

Conferentie van de regerende prinsen en hoofden met onderkoning Chelmsford (in het midden vooraan) in Delhi in 1917, Maharawal of Dungarpur Archives.

De economische en politieke spanningen hadden toenemende onlusten tot gevolg. De Britten reageerden daarop in maart 1919 met de Rowlatt-wet. Daardoor konden mensen zonder vorm van proces in de gevangenis terechtkomen.

Die harde repressie werd door vele Indiërs gezien als niet minder dan een vorm van verraad vanwege de Britse koloniale overheid. Gedurende vier jaar hadden ze loyaal het Britse Rijk gediend en daarvoor werd een tegenprestatie verwacht, niet meer repressie!

Gandhi bij zijn allereerste actie om het lot van indigo-boeren te verbeteren in Champaran, Bihar, 1917.

Uit protest tegen deze draconische maatregelen die burgerlijke vrijheden drastisch inperkten, organiseerde Gandhi op 6 april 1919 een geweldloze protestactie, de eerste van velen.

Op 10 april werden twee leiders van de Congrespartij in Amritsar gearresteerd. Het gevolg was een algemene staking waarbij grote menigten de straat opkwamen om de vrijlating van de twee leiders te eisen. Drie dagen later verzamelden naar schatting twintigduizend Sikhs, Moslims en Hindoes zich voor een meeting in de Jallianwala Bagh, een ommuurd park in het centrum van Amritsar.

De stad met zijn Gouden Tempel was niet alleen de heiligste plaats voor de Sikhs maar ook de spirituele hoofdstad van de belangrijke provincie Punjab. Het was net deze provincie die de grootste bijdrage aan de Indiase oorlogsinspanning had geleverd, met bijna de helft van alle Indiase militairen, met meer dan een miljard roepies aan oorlogsleningen, en door het bekostigen van bijna 50 vliegtuigen.

Algemeen beeld van Amritsar en de Gouden Tempel, met in de inzet Mahatma Gandhi. Foto gepubliceerd in The Butte Daily Bulletin, 14 april 1919 (Library of Congress).

Hoewel ook een protestactie, was de sfeer in Jallianwala Bagh op 13 april 1919 uitgelaten en gemoedelijk. Het was immers het feest van Vaisakhi, het nieuwjaar van de Sikhs dat ook door hindoes en andere Indiërs werd gevierd.

Hele gezinnen - mannen, vrouwen en kinderen- hadden er een plekje gezocht om te picknicken en naar toespraken te luisteren. Onder hen waren ongetwijfeld ook veteranen die onlangs waren teruggekeerd van de oorlog.

Generaal Reginald Dyer, die de geschiedenis is ingegaan als "de slager van Amritsar".

Een uur na het begin van de meeting arriveerde generaal Dyer met een groep van een honderdtal militairen. Die waren overigens allen Indiërs, maar dan wel uit andere delen van het subcontinent. Zonder waarschuwing of oproep om te verspreiden liet generaal Dyer de verschillende toegangen tot het park afsluiten en gaf hij het bevel te vuren op de dichte drommen volk.

De schietpartij duurde ongeveer tien minuten. Volgens het Britse onderzoek dat volgde op het bloedbad waren er 379 doden, volgens de Congrespartij waren er ongeveer 1000 doden.

Scene uit de oscarwinnende film Gandhi uit 1982, het bloedbad van Amritsar  is een sleutelmoment in de film .

Het bloedbad van Amritsar sloeg in als een bom, en dat lang niet alleen in India. In de ogen van velen had het Britse koloniale project in India nu alle legitimiteit verloren. Ook veel anglofiele Indiërs verloren met de gebeurtenissen van 13 april 1919 elk geloof in de welwillendheid van de Britse overheid om inzake India tot een vergelijk te komen.

De schietpartij had op de meest tragische wijze duidelijk gemaakt dat in de ogen van de Britten de Indiërs ondergeschikt en minderwaardig waren. In protest nam de wereldberoemde Bengaalse dichter Rabindranath Tagore, Nobelprijs voor de literatuur in 1913 en in 1915 geridderd, publiekelijk afstand van zijn Britse eretitels.

Mahatma Gandhi (links) en Rabindranath Tagore (midden) in 1920.

Ook in het Verenigd Koninkrijk was er overigens verontwaardiging over wat er in Amritsar was voorgevallen. Zo noemde Winston Churchill het optreden van generaal Dyer “monsterlijk”.

Andere Britten, waaronder die andere Nobelprijswinnaar literatuur Rudyard Kipling, steunden openlijk de generaal en noemden hem “the man who saved India”. Een onderzoekscommissie oordeelde eind 1919 dat hij buiten proportie en op een verderfelijke wijze gehandeld had, maar legde evenwel geen straf op. 

In afwachting van het verschijnen van het rapport van de Britse onderzoekscommissie publiceerde de Amerikaanse krant The Sun and New York Herald foto's van het Britse optreden in een ander stadje, Kasur, waar een dag voor het Amritsar bloedbad betogers het station in brand hadden gestoken.  De hele bevolking moest er paraderen om de 'relschoppers' te identificeren. Die werden in een veel te klein kamp opgesloten, enkelen werden opgehangen en velen, ook schoolkinderen,  gegeseld (1 februari 1920, Library of Congress).

De gebeurtenissen in Amritsar hadden een grote impact op hoe de Indiase militairen in Britse dienst door hun landgenoten gezien werden. Hadden zij tijdens de oorlog de Indiase zaak gediend nét door het Britse rijk te steunen, dan werden zij nu beschouwd als moordenaars die door de koloniale overheid ingehuurd waren om het volk te onderdrukken.

Gandhi riep dan ook de Indiase militairen op om zonder verwijl ontslag te nemen uit het leger indien zij op een andere manier hun brood konden verdienen. Hij, die kort daarvoor nog een kampioen was van de Britse rekruteringscampagne, werd nu een volbloed pacifist. Wat gebeurd was in Amritsar heeft daardoor een lange schaduw geworpen op de herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog in India. De helden waren vanaf nu zij die streden voor onafhankelijkheid en niet langer zij die in Britse dienst oorlog hadden gevoerd.  

Bezoekers bekijken een schilderij van het bloedbad in het Jallianwala Bagh herdenkingscentrum in Amritsar. 2013 Hindustan Times

Het bloedbad van Amritsar wordt algemeen als een keerpunt beschouwd, het moment dat “de laatste restjes hoop gevormd in de nasleep van India’s bijdrage aan de oorlog” de grond in boorde en de relatie tussen India en Groot-Brittannië onomkeerbaar veranderde.

Van nu af aan zou een verenigde nationalistische oppositie onder Gandhi zich concentreren op geweldloos verzet met als ultieme doel niet langer zelfbestuur binnen het Britse Rijk, maar volledige onafhankelijkheid los van het Britse Rijk. Het zou nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren vooraleer het zover was.

3.	Het ‘bloedbad van Amritsar’ maakt tot op vandaag deel uit van het collectieve geheugen in India, zoals blijkt uit dit populaire stripverhaal ( collectie auteur).

Dominiek Dendooven is historicus en wetenschappelijk medewerker van het In Flanders Fields Museum in Ieper.  Binnenkort verschijnt zijn boek De Vergeten Soldaten van de Eerste Wereldoorlog, de geschiedenis van de 140.000 soldaten uit China en India die meevochten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

De muren van Jallianwala Bagh dragen nog altijd de sporen van de kogelinslagen van 13 april 1919.
De vlam van de vrijheid, het monument in de Jalianwala Bagh in Amritsar dat vandaag aan het bloedbad herinnert.
Een van de vele tekeningen van het bloedbad van 13 april 1919.