100 jaar geleden: Straatsburg viert de Franse triomf in Elzas-Lotharingen

De herovering van Elzas-Lotharingen was de belangrijkste trofee die Frankrijk in de Eerste Wereldoorlog binnenhaalde. Op 9 december 1918 werden de Franse president Poincaré en premier Clemenceau triomfantelijk onthaald in de hoofdstad Straatsburg. Eindelijk was het "onrecht van 1871" rechtgezet.

9 december 1918 was een bijzondere dag voor Straatsburg. De Franse president Raymond Poincaré en eerste minister Georges Clemenceau arriveerden er en werden door een enthousiaste menigte ontvangen. Tweeduizend schoolkinderen zingen voor hen de Marseillaise.

De komst van Poincaré en Clemenceau betekende de symbolische terugkeer van het Duitse “Rijksland Elzas-Lotharingen”, waar Straatsburg de hoofdstad was geweest, naar Frankrijk.

De koets met Poincaré (links) en Clemenceau (rechts) wordt in Metz omringd door vrouwen in traditionele klederdracht. Behalve Straatsburg bezocht het duo in het weekend van 9 en 10 december 1918 ook Metz en Colmar in het heroverde Elzas-Lotharingen (BnF Gallica).

Ook voor hen was het een bijzonder moment. Poincaré kwam uit het deel van Lotharingen dat Frans was gebleven. En Clemenceau had in 1871 als kersvers parlementslid mee geprotesteerd tegen de afstand van het gebied aan Duitsland. In 1918 was hij de enige onder de voormalige "protestataires" die nog steeds in het parlement zat.

Op het einde van de Frans-Duitse oorlog (1870-'71) werd Frankrijk gedwongen om bijna de hele Elzas en het noorden van Lotharingen aan het nieuwe Duitse Rijk af te staan. Veel keuze had het niet, want de Duitse legers hadden de gebieden veroverd en de Fransen een ongeziene nederlaag toegebracht.

"De wedergeboorte van het Duitse rijk", schilderij van Hermann Wislicenus uit 1872 in het keizerlijk paleis in Goslar. Rechts Alsatia met de kathedraal van Straatsburg en Lotharingia met de dom van Metz, brengen hulde aan keizer Willem I (Wikimedia).met

De Elzas behoorde toen amper twee eeuwen tot Frankrijk, Lotharingen zelfs maar een goede eeuw. Niemand kon ontkennen dat zeker de Elzas in historisch en cultureel opzicht Duits kon worden genoemd en dat het grootste deel van de bevolking een Duits dialect sprak. Voor veel Duitsers was het logisch dat dit gebied opnieuw Duits werd.

Kaart van Elzas-Lotharingen op basis van een talentelling uit 1910. Alleen in het grijze gebied spreekt minder dan de helft van de bevolking Duits.

Hoe Duits het er ook klonk, de elite was grotendeels verfranst. Het afgestane stuk van Lotharingen was voor een deel authentiek Franstalig. Daarbij had Franse Revolutie rt haar sporen nagelaten (de Marseillaise was in Straatsburg gecomponeerd). De liberale burgerij van de streek moest niets hebben van de autoritaire Pruisische Junkers die het nieuwe Duitsland domineerden. Ook de economie was op Frankrijk afgestemd. De katholieke clerus, die grote invloed had op de boeren, was er als de dood voor om onder een protestantse vorst te leven.

"Zelfbehoud", karikatuur uit het Duitse Kladderadatsch uit 1870. De Duitse kanselier Bismarck verwijdert de klauwen Elzas en Lotharingen van de Franse beer om hem onschadelijk te maken.

Daar kwam bij dat de Duitse veroveraars, kanselier Bismarck voorop, deze gebieden als oorlogsbuit beschouwden en ook zo behandelden.  Elzas-Lotharingen werd een “Rijksland”, een soort kolonie waar de bewoners weinig te zeggen hadden. De meeste macht kwam in handen van Duitse ambtenaren, die rechtstreeks door de Rijksregering in Berlijn waren aangesteld. Er gold een uitzonderingsregime.

Karikatuur hekelt de gruwelverhalen die over het Duitse bewind in Elzas-Lotharingen worden verspreid: links de gruwelverhalen, rechts hoe het er in werkelijkheid aan toe gaat (BnF Gallica).

De inwoners waren dan ook niet enthousiast. In het Franse parlement hadden alle afgevaardigden uit de betrokken gebieden (samen met o.a. Clemenceau) zich tegen de aanhechting verzet. Zowat 1/10de van de 1,5 miljoen inwoners van Elzas-Lotharingen opteerde om de Franse nationaliteit te behouden. Bijna 30.000 emigreerden kort daarop.

Ook later bleef de emigratie voortduren (zij het niet zozeer om politieke redenen). De stad Metz verloor zowat de helft van haar oorspronkelijke bevolking, al werd die gecompenseerd met een grote immigratie uit Duitsland. 

"De exodus uit Elzas-Lotharingen". Schilderij van Mouis Fréderic Schutzenberger uit 1872, Musée des Beaux Arts, Mulhouse.

Toen Elzas-Lotharingen in 1874 zijn eigen afgevaardigden in de Duitse Rijksdag mocht kiezen, protesteerden alle verkozenen op de eerste bijeenkomst van het parlement tegen de annexatie. Een aantal onder hen liet zich daarna nooit meer in de Rijksdag zien.

Toch zouden de meesten van die “protestataires” zich vrij snel bij de bestaande toestand neerleggen. Het regime bleek op sommige punten zeer soepel. Hoewel het Duits de officiële taal was geworden, werd het gebruik van het Frans, ook in de pers en het culturele leven, getolereerd. Zeker de plattelandsbevolking had weinig problemen met het nieuwe vaderland. Dat gold ook voor de grote protestantse gemeenschap in de Elzas.

Revanchisme

In Frankrijk zelf werd het verlies van Elzas-Lotharingen beschouwd als een amputatie, een ondraaglijk verlies. Nationalisten drongen aan op een nieuwe oorlog om revanche te nemen en het gebied terug te winnen. 

De herinnering aan de “verloren provincies” werd levendig gehouden  in schoolboeken, romans en verhalen, in volksprenten, karikaturen en liedjes. In de schoolklassen stond het gebied met een speciale kleur op de kaart van Frankijk. Tientallen Franse steden hadden – en hebben - een straat naar “Alsace-Lorraine” genoemd.  

Een van de vele straten (hier in Lyon) die in Frankrijk naar Elzas-Lotharingen zijn genoemd.

De vele naar Frankrijk uitgeweken Elzassers en Lotharingers waren goed georganiseerd en hielden de herinnering levend. Hun tientallen verenigingen hielden geregeld herdenkingsbijeenkomsten en steunden pro-Franse activiteiten in Elzas-Lotharingen, zoals de oprichting van monumenten.

Dit “revanchisme” in Frankrijk kende een tijd succes, maar verloor op den duur toch aanhang. De leidende Franse politici wilden geen oorlog met het sterkere Duitsland. Al bleef het idee leven dat het gebied ooit weer Frans zou moeten worden. 

Naarmate de tijd vorderde leek Elzas-Lotharingen zich steeds beter te schikken als een deel van Duitsland.  Na het aftreden van Bismarck (1890) werden de uitzonderingsmaatregelen voor het gebied afgeschaft en kregen de inwoners dezelfde rechten als de andere Duitsers. Maar bovenal kon Elzas-Lotharingen profiteren van de grote welvaart die in Duitsland was ontstaan. Het genoot mee van de enorme bloei van de industrie, van wetenschap en technologie en van de voor die tijd zeer vooruitstrevende sociale zekerheid in Duitsland.  

Collage van foto's gemaakt bij de openingszitting van de landdag van Elzas-Lotharingen in 1911 (BnF Gallica).

In 1912 kreeg het Rijksland een zekere vorm van zelfbestuur, waarbij de inwoners zelf een  eigen parlement of landdag konden kiezen. Maar de Grote Oorlog verhinderde een verdere ontwikkeling van die autonomie.  

Ommekeer door de oorlog

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had op zich niets met de kwestie Elzas-Lotharingen te maken. Maar toen Frankrijk begin augustus 1914 dan toch in oorlog met Duitsland geraakte, begon een Frans leger meteen met de herovering van de “verloren provincies”. 

De Fransen trokken zich echter snel terug toen bleek dat de Duitse legers vanuit België diep in Frankrijk doordrongen en Parijs bedreigd werd. Alleen een gebied rond het stadje Thann in de Opper-Elzas bleef voor de rest van de oorlog in Franse handen en werd als “bevrijd gebied” behandeld.

Een dorpje in de Elzas op 4 augustus 1914 (links) en op 10 augustus 1914, drie dagen na de Franse herovering (rechts). Tekening van Jean-Jacques Waltz, alias Hansi. De in Colmar geboren tekenaar bepaalde heel sterk het beeld van Elzas-Lotharingen. Hij was uitgesproken anti-Duits en dat bracht hem vaak in conflict met de Duitse autoriteiten, waardoor hij verplicht werd naar Frankrijk uit te wijken ( uit L'Illustration, 3-8-1918, via hetarchief.be).

Zowat 380.000 Elzassers en Lotharingers vochten in het Duitse leger en hoewel de meesten onder hen hun militaire plicht deden en er 50.000 van sneuvelden,  werden ze door de legerleiding gewantrouwd. Inderdaad waren er een aantal onder hen die deserteerden of naar de Franse linies overliepen. Daarom werden de soldaten uit de streek meestal naar het Oostfront gestuurd en kregen ze minder gemakkelijk verlof. 

Elzas-Lotharingen zelf werd tijdens de oorlog onder Duits militair bestuur geplaatst. Er heerste censuur. Het gebruik van het Frans werd verboden. Mensen werden zelfs verklikt omdat ze een Frans woord in het Elzassisch dialect hadden gebruikt. De beperkte autonomie bestond in feite niet meer en er was sprake van om het Rijksland na de oorlog af te schaffen en op te delen tussen de aangrenzende deelstaten, of om het helemaal bij Pruisen te voegen.

Soldaten van een Duitse legereenheid uit Colmar (BnF, Gallica).

Elzas-Lotharingen leed net als de rest van Duitsland gedurende de oorlog onder voedseltekorten. De honger, de opeisingen van allerlei materiaal en andere ongemakken van de oorlog maakte de Duitse overheersing steeds minder populair, zelfs op het platteland.

Intussen bleef Frankrijk aandringen op een teruggave van Elzas-Lotharingen als een absolute voorwaarde voor vrede. Duitsland wees dat officieel af, maar bij de geheime verkennende gesprekken die tijdens de oorlog via tussenpersonen werden gehouden, werd er toch aan gedacht om misschien een deel aan Frankrijk af te staan. Er waren zelfs voorstellen om bij wijze van compromis van Elzas-Lotharingen een soort neutrale bufferstaat te maken, tussen Duitsland en Frankrijk.

Het Franse Le Monde Illustré wijdt zijn nummer van 14 september 1918 volledig aan Elzas-Lotharingen en loopt vooruit op de herovering van het gebied. Rechts, op de voorpagina, de verklaring van de parlementsleden die zich in 1871 verzetten tegen de inlijving door Duitsland. Rechts een tekening van Hansi: "zo zal Straatsburg er uitzien als de poilu's het heroveren (BDIC).

Het einde kwam er toen Duitsland in oktober 1918 een wapenstilstand vroeg op basis van de befaamde Veertien Punten die de Amerikaanse president Wilson als grondslagen voor de vrede had voorgesteld. Daarin stond: “Het onrecht dat Frankrijk in 1871 is aangedaan inzake Elzas-Lotharingen moet worden goedgemaakt”. Door de Veertien Punten te aanvaarden wist Duitsland dat het dit gebied niet meer kon houden.

De wapenstilstand van 11 november 1918 bepaalde dat Duitsland zich niet alleen uit de bezette delen van België en Frankrijk moest terugtrekken, maar ook uit Elzas-Lotharingen. De Franse legers konden de “verloren provincies” ongehinderd binnenrukken, waar ze meestal als bevrijders werden onthaald. 

Nog voor een stad in Elzas-Lotharingen was ingenomen, stonden de vieringen in Parijs op 17 november 1918 al volledig in het teken van de uitwissing van "de schande van 1871". Foto's uit Le Monde Illustré, 23-11-1918 (BDIC).

De terugkeer

Hoewel Duitsland pas in juni 1919 door het verdrag van Versailles definitief afstand van Elzas-Lotharingen zou doen, nam Frankrijk meteen het bestuur over en beschouwde de terugkeer als een voldongen feit.

Duitsland drong nog aan op een volksstemming over de toekomst van het gebied, maar daar wilden de Fransen niets van weten. Verzet van de bevolking was er niet te merken, integendeel. “De volksstemming is gebeurd”, zei Clemenceau op het stadhuis van Straatsburg toen een menigte buiten stond te juichen.

Links, de intocht van de Franse maarschalk Pétain in Metz op 19 november 1918. Rechts, de Franse troepen trekken Straatsburg binnen op 22-11-1918 (L'Illustration, 30-11-1918, via hetarchief.be).

Toch was het niet voor iedereen gejuich. Al snel kwamen er maatregelen tegen “ongewenste” inwoners. Meer dan 100.000 Duitsers die niet in Elzas-Lotharingen waren geboren, moesten het gebied verlaten en hun meeste bezittingen achterlaten, ook al hadden ze er tientallen jaren gewoond. Die uitzettingen, die tot protesten van de Verenigde Staten leidden, zouden ook nefaste economische gevolgen hebben.

De plotse herinvoering van het Frans als enige officiële taal zorgde voor heel wat moeilijkheden omdat veel inwoners geen Frans kenden. En van autonomie voor het gebied was geen sprake meer. Elzas-Lotharingen verdween van de kaart: het werd opgedeeld in drie Franse departementen en zelfs de naam mocht niet meer worden gebruikt. Nog jaren nadien zou er in de Elzas vruchteloos geijverd worden voor autonomie en het behoud van de streektaal.

Het volksfeest in Straatsburg op 9 december 1918. Tekening uit L'Illustration van 14 december 1918.

Op één belangrijk punt gaf Frankrijk toe: om geen verzet te krijgen bij de katholieke bevolking werd de scheiding van kerk en staat, die sinds 1905 in Frankrijk gold, niet toegepast in de drie departementen van “Elzas-Moezel”. En dat is nog altijd zo. 

Tot op de dag van vandaag worden de erediensten er door de staat betaald en is er godsdienstonderwijs op de officiële scholen, net als in België, maar niet zoals in de rest van Frankrijk. In de rechtszalen hangt vaak nog een kruisbeeld.

"Waarom ween jij? Mijn vader zal niet meer kunnen zien dat hij (de Duitse bezetter) vertrekt" (tekening van Gaston Maréchaux, BnF Gallica).