75 jaar geleden: Congolezen mogen niet helpen bij bevrijding van Europa

In juli 1944 besliste de Belgische regering in Londen dat de Force Publique, het leger van de kolonie Congo, niet ingezet zou worden bij de bevrijding van het moederland. Nochtans had de Force Publique in de jaren voordien een niet onbelangrijke rol gespeeld bij de oorlog in Afrika.

Dit is een bijdrage van Kris Quanten, hoofd van het Departement Militaire Geschiedenis aan de Koninklijke Militaire School en gespecialiseerd in de koloniale en postkoloniale periode.

In juli 1944 – nauwelijks één maand na de landing in Normandië – nam het Belgische koloniale leger deel aan grootschalige manoeuvres met de Britten in Egypte. Het zag ernaar uit dat ze klaargestoomd werden voor het eindoffensief op het Europese continent. Zover zou het echter nooit komen.

De Belgische regering in Londen wilde niet dat de koloniale troepen deelnamen aan de bevrijding van Europa en nog minder aan die van België. Hoe waren die Belgische koloniale troepen in Egypte terecht gekomen en wat was hun rol tijdens de Tweede Wereldoorlog?

Manoeuvres van de Force Publique in de Egyptische woestijn in 1944. (War Heritage Institute).

Daarvoor moeten we terugkeren naar het begin van de oorlog. De capitulatie van het Belgische leger op 28 mei 1940 betekende immers niet het einde van de Belgische oorlogsinspanning. De regering in Londen beschikte nog over het koloniale leger in Congo, de zogenaamde Force Publique.

Vanaf 1941 werd dat ingezet in verschillende campagnes op het Afrikaanse continent. Het zou daarbij een niet onbelangrijke rol spelen.

Links gouverneur-generaal. Pierre Ryckmans, rechts minister van Koloniën Albert de Vleeschauwer  (War Heritage Institute).

In 1940 was Afrika verdeeld onder drie grote koloniale mogendheden : Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. Daarnaast waren er ook nog enkele kleinere kolonisatoren, waaronder België.

Aan het hoofd van Belgisch Congo stond de gouverneur-generaal. De werkelijke beslissingsmacht lag evenwel in handen van het ministerie van Koloniën in Brussel. In 1940 stond dit onder leiding van de katholiek Albert De  Vleeschauwer.

De kolonie beschikte over zijn eigen ordetroepen, de Force Publique. Dit koloniale leger telde aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog 14.730 Congolese soldaten, omkaderd door 270 Belgische officieren en onderofficieren. Met de Duitse inval in België werd ook de Force Publique gemobiliseerd. Tegen het einde van 1940 bedroeg de getalsterkte 28.000 Congolezen en 1.700 blanke kaderleden. 

Congolese vrijwilligers bieden zich aan om dienst te nemen in de Force Publique in 1940. Foto uit de brochure "Belgian Colonial Policy" van Albert de Vleeschauwer, uitgegeven door het Belgisch Informatie Centrum in New York in  1943 (via archive.org )

De capitulatie van het Belgische leger op 28 mei zorgde voor een schok in de kolonie. Congo was nu volledig afgesneden van het moederland. De blanke publieke opinie in de kolonie raakte al vlug verdeeld over de te volgen koers.

Het neutrale kamp, met daarin voornamelijk zakenlui en een aantal hoge ambtenaren, ging ervan uit dat de oorlog verloren was. Ze beriepen zich op het door koning Leopold III ingenomen standpunt. Congo moest neutraal blijven en mocht niet ingeschakeld worden in het verzet tegen nazi-Duitsland.

Daartegenover stonden zij die de oorlog wilden verderzetten en zich resoluut achter de Belgische regering in ballingschap schaarden. Gouverneur-generaal Pierre Ryckmans was het boegbeeld van die strekking. Ook de minister van Koloniën, Albert de Vleeschauwer, behoorde tot deze groep. 

"Belgisch Congo is blijven vechten". Het economisch potentieel en vooral de strategische grondstoffen van Congo waren van doorslaggevend belang voor de geallieerden. (War Heritage Institute)

Minister de Vleeschauwer besloot in juli 1940 op eigen initiatief om de Belgische kolonie actief in te schakelen in de geallieerde oorlogsinspanning. Hierdoor konden de Britten – en later ook de Amerikanen – onbeperkt grondstoffen uit de Belgische kolonie invoeren.

Als België tijdens de Tweede Wereldoorlog internationaal een rol speelde, dan had het dat in de eerste plaats te danken aan het economisch potentieel en de strategische grondstoffen van zijn kolonie.

Diamantmijn in de Kasaï (War Heritage Institute ).

Maar naast het economische luik, was er ook nog het aandeel van de Force Publique. Deze heeft altijd in de schaduw gestaan van de economische inspanning. Toch mag die militaire bijdrage niet onderschat worden.

In de loop van juni 1940 werden de militair-strategische kaarten in Afrika grondig door elkaar geschud. Zo verklaarde Italië op 10 juni de geallieerden de oorlog, waarmee het resoluut voor het Duitse kamp koos. Vijftien dagen later capituleerde Frankrijk, waarna het Duitsgezinde Vichyregime er aan de macht kwam.

Beide gebeurtenissen hadden verregaande gevolgen voor de machtsverhoudingen op het Afrikaanse continent. De Franse kolonies, met uitzondering van Equatoriaal-Afrika, bleven trouw aan Vichy-Frankrijk en belandden in het Duits-Italiaanse kamp.

Soldaten van de Force Publique oefenen in de Egyptische woestijn in 1944 (War Heritage Institute).

Zo verloor Groot-Brittannië eensklaps zijn belangrijkste bondgenoot in Afrika, Frankrijk, en moest het uitkijken naar nieuwe partners. De inzet van de Force Publique was daarbij cruciaal. Reeds in juli 1940 stuurden de Britten een verbindingsofficier naar Léopoldstad met de vraag voor militaire steun.

De Belgische regering wou daar eerst niet op ingaan. Officieel was België niet in oorlog met Italië en er werd gevreesd dat het leveren van militaire steun aan de Britten juist een voorwendsel zou zijn voor de Italianen om vanuit het naburige Abessinië – het huidige Ethiopië – de Belgische kolonie aan te vallen.

Hierin kwam verandering op 19 november 1940 toen de regering Pierlot officieel de staat van oorlog afkondigde met Italië. Hiermee schaarde de Belgische regering zich voluit aan Britse zijde. Niets stond nu nog de inzet van de Force Publique op het Afrikaanse continent in de weg. Al op 18 december vertrok een verbindingsofficier naar Khartoem voor militair overleg met de Britten. Op 1 februari 1941 staken de eerste troepen de grens met Soedan over.

De opmars van de Force Publique in Abessinië. Terwijl de Britten een aanval uitvoeren tegen de Italianen vanuit het noordwesten en het zuidoosten (de rode pijlen), start het Belgische koloniale leger (de donkere pijlen) een secundaire operatie in het zuidwesten.

Aanvankelijk nam de Force Publique slechts met één infanteriebataljon deel aan het Britse offensief tegen de Italiaanse troepen in Abessinië. Dit werd ingezet bij de gevechten om Asosa en Gambela. Door de Italiaanse overmacht drong het War Office aan op een grotere inspanning van de Force Publique.

Vanaf april 1941 werd de volledige Derde Brigade uit Stanleystad – zo’n 6.000 manschappen – ingezet. Ze kreeg als opdracht om de strategische gelegen stad Saïo te veroveren. Bij de gevechten begin juli werden meer dan 15.000 Italiaanse troepen gevangen genomen, waaronder 9 generaals en 370 officieren. Met de inname van Saïo stortte heel de Italiaanse verdediging in het zuidwesten van Abessinië als een kaartenhuisje in elkaar.

De Force Publique betaalde een zware prijs voor de campagne : meer dan 500 militairen – voornamelijk Congolezen – lieten er het leven. Het nieuws van de overwinning werd in de kolonie op enthousiasme onthaald. Velen – vooral blanke officieren – hoopten dat de Force Publique nu ook op andere slagvelden ingezet zou worden.

Na de val van Saïo geven Italiaanse militairen zich over aan de Force Publique (War Heritage Institute).

Na de succesvolle deelname aan de veldtocht in Abessinië, verschoof de aandacht naar West-Afrika. Daar planden de Britten in 1942 een aanval tegen de bij Vichy aanleunende Franse kolonies. Ze vormden een bedreiging voor de geallieerde communicatielijn die van Lagos via Khartoem naar Caïro liep.

"The Belgian Campaign in Ethiopia", een bundeling van enkele, lovende artikelen die in enkele Amerikaanse kranten waren verschenen, uitgegeven door het Belgisch Informatie Centrum in New York in 1942 ( via archive.org ).

Na aandringen van de Britten werd een expeditiekorps vanuit Congo naar Nigeria gestuurd. De troepenmacht bestond uit de Eerste en Tweede Brigade van de Force Publique en telde maar liefst 13.000 manschappen. In juli 1942 werden ze vanuit Matadi met Britse transportschepen naar Lagos vervoerd waar ze een aanval op Dahomey – het huidige Benin – voorbereidden.

Maar de geallieerde ontscheping in Noord-Afrika op 8 november maakte dat offensief overbodig. Het Vichyregime in West-Afrika stuikte in elkaar waardoor het Belgische expeditiekorps werkloos vastzat in Nigeria. Eind 1942 liet de ontgoocheling en frustratie zich voelen bij de troepen. 

Soldaten van de Force Publique worden ingescheept op Britse transportschepen en naar Lagos in Nigeria vervoerd voor een aanval tegen de Franse kolonies (War Heritage Institute) .

De Belgen drongen er bij de Britten op aan om de Force Publique vooralsnog op een ander front in te zetten. In februari 1943 kwamen de Britten met een voorstel : de gemotoriseerde troepen van het expeditiekorps zouden naar Egypte vertrekken om er zich voor te bereiden op verdere operaties.

Plots leek er terug hoop. Na de nederlaag bij El-Alamein in november 1942 waren de Duitsers immers begonnen met hun terugtocht richting Tunis en het gonsde van de geruchten over een nakende geallieerde aanval op Europa. Zou de Force Publique daarvoor ingezet worden?

Het expeditiekorps werd omgevormd tot een gemotoriseerde colonne van zo’n 8.000 manschappen. In maart 1943 vertrok die voor een helse tocht van 7.000 kilometer dwars door de Sahara : vanuit Nigeria, via Tsjaad, richting Khartoem, door de Nijlvallei, de Nubische woestijn, via Assoean en Luxor tot in Caïro. 

De doorsteek van de Sahara verliep niet zonder problemen. Overdag kon de temperatuur er oplopen tot 65 graden. Indien een voertuig in panne viel, moest er gewacht worden tot ’s avonds om de herstelling uit te voeren. Dit om te vermijden dat de bemanning zich zou verbranden aan de metalen onderdelen (War Heritage Institute) .
Een peloton van de Force Publique tijdens een bezoek aan de piramide van Cheops in Gizeh (War Heritage Institute) .

Ondanks de doorgedreven training en voorbereiding in Egypte en later ook in Palestina, zouden de Belgische koloniale troepen enkel ingezet worden voor secundaire opdrachten, zoals het bewaken van Britse opslagplaatsen, vliegvelden en krijgsgevangenkampen. Toch bleven de Belgen hopen op een inzet bij de bevrijding van Europa. De grootschalige manoeuvres in juli 1944 deden die hoop nog toenemen. 

  Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de basis gelegd voor de dekolonisatie. Door de onafgebroken inzet in de verschillende operaties ging er een nieuwe wereld open voor de Congolezen, wat een bewustwordingsproces op gang zou brengen. Hiermee werden de kiemen gelegd voor het latere onafhankelijkheidsstreven (War Heritage Institute) .

Zover zou het echter nooit komen. Het koloniale leger mocht dan wel ingezet worden op alle mogelijke slagvelden in Afrika, de oversteek naar Europa was een brug te ver.

Officieel was het argument dat er niet voldoende blanke officieren waren om de Congolese troepen te leiden tijdens de operaties. In de praktijk vreesde de regering voor de negatieve impact op de inlandse soldaten. Om die reden had België ook al in de Eerste Wereldoorlog geweigerd koloniale troepen naar Europa te sturen. 

België had in zijn kolonie altijd een politiek van raciale segregatie gevoerd.  Het leek dan ook paradoxaal dat België nu juist beroep moest doen op de Congolezen om het moederland te bevrijden! Dat zou op termijn belangrijke gevolgen kunnen hebben en de Congolezen weleens op ideeën brengen om meer emancipatie te eisen. 

Op 28 juli 1944 kreeg het expeditiekorps vanuit Londen te horen dat het moest terugkeren naar Congo. Hiermee kwam er een abrupt einde aan de deelname van de Force Publique aan de Tweede Wereldoorlog.

Na hun terugkeer in Congo, werden de militairen gedecoreerd met herdenkingsmedailles en eretekens. Toch betaalde de Force Publique een zware prijs. In totaal kwamen tijdens de verschillende operaties 770 militairen om, waarvan 765 Congolezen en 5 Belgen (War Heritage Institute) .
Monument voor de militairen van de Force Publique die om het leven kwamen bij de Slag om Saio, in het Congolese stadje Faradje.