75 jaar geleden: discussie barst los over economische collaboratie, moet die hard of mild aangepakt worden?

Na de bevrijding  barst in ons land een felle discussie los over de aanpak van bedrijven die met Duitse bezetter hebben samengewerkt, moet men ze hard aanpakken of niet. Voor topmagistraat Walter-Jean Ganshof van der Meersch is de strenge vervolging van de economische collaboratie een prioriteit. Machtige financieel-economische groepen gaan hiertegen in het verzet, en ze kunnen rekenen op de steun van politici, die vooral een snel economisch herstel wilden.

Dit is een bijdrage van Dirk Luyten, historicus en sinds 1999 onderzoeker bij het Rijksarchief/CEGESOMA en specialist  van de economische collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de repressie ervan en de geschiedenis van het sociaal beleid. Meer over België tijdens en na de Tweede Wereldoorlog vindt u op "Belgium WW II". Eindredactie en Illustratie Jan Ouvry.

De bestraffing van de collaboratie in het algemeen is een heet hangijzer in de naoorlogse politiek. Dat geldt zeker voor de bestraffing van de economische collaboratie.

Deze vorm van collaboratie spreekt sterk  tot de verbeelding omdat er grote financiële belangen mee gemoeid waren. Productie voor Duitsland was vaak erg winstgevend en het contrast kan worden gemaakt met de sociale ellende tijdens en na de oorlog. Vanuit economisch en politiek perspectief zijn de belangen groot en staat het gerecht tegenover machtige financieel-economisch groepen.

Een van de sleutelfiguren bij de repressie in het bevrijde België is auditeur-generaal Walter-Jean Ganshof van der Meersch (1900-1993). Deze topmagistraat stuurt het openbaar ministerie bij het militair gerecht aan en heeft een centrale rol bij het uitwerken van het vervolgingsbeleid inzake collaboratie, een fenomeen waarmee tienduizenden te maken hebben. Hij heeft dat al voorbereid samen met de Belgische regering tijdens de ballingsjaren in Londen.

Walter Ganshof van der Meersch (rechts) picknickt samen met minister August De Schryver tijdens een ministerieel bezoek aan Belgische hulpverleners van het Rode Kruis in het Zuid-Engelse Sussex, 1 april 1944. Ganshof was half 1943 verplicht met zijn familie uit België weg te vluchten omdat de bodem door zijn verzetsactiviteiten te heet onder zijn voeten was geworden. Hij werd onmiddellijk door de Belgische regering ingeschakeld voor de coördinatie van het verzet, en voor de voorbereiding van de repressie en de handhaving van orde en veiligheid na de bevrijding. Begin foto: zitting van een krijgsraad na de oorlog (Archief Maurice De Wilde, VRT / SOMA).

Het Galopin-comité

In november 1944 onthult de krant Le Soir  dat er tijdens de bezetting een Galopin-comité actief was geweest, genaamd naar Alexandre Galopin, gouverneur van de Société Générale die 40% van de Belgische nijverheid controleerde. Galopin is in februari 1944 vermoord door een DeVlag-commando; voor de extreme Vlaamse collaborateurs was hij de incarnatie van het Belgicistisch patriottisme en anti-nazisme.

Het  Galopin-comité bestond uit topfiguren van de grote banken en holdings. Ook een aantal  industriëlen zoals Léon Bekaert waren er lid van. Het comité liet de Belgische financieel-economische elite toe in juli 1940 haar economische beleid onderling af te stemmen en een beleid uit te stippelen rond  productie voor Duitsland  : de Galopin-doctrine. 

Alexandre Galopin (Archief Maurice De Wilde, VRT / SOMA).

Artikel 115 van het Belgische strafwetboek bestraft productie voor de vijand in principe met de doodstraf.  Maar volgens de Galopin-doctrine is een systematische weigering van productie voor Duitsland geen optie. Het sterk geïndustrialiseerde België is voor zijn voedselproductie niet zelfvoorzienend en aangewezen op import uit of via Duitsland, want als gevolg van de Britse blokkade is voedselinvoer van overzee niet mogelijk.

Om voor die import te betalen moet België industriële producten uitvoeren. De industrie draaiende houden is verder nodig om het wegvoeren van arbeiders naar Duitsland om daar verplicht tewerk gesteld te worden, zoals in de Eerste Wereldoorlog, te vermijden. De productie handhaven kan ten slotte beletten dat de Duitsers het beheer  van Belgische bedrijven zouden overnemen. 

Een hoge Duitse officier komt half 1941 in het Gentse Sint-Pietersstation de 50.000 arbeider feliciteren die vanuit Oost-Vlaanderen naar Duitsland vertrekt (Collectie AMSAB).

De Galopin-doctrine is echter geen vrijbrief om  voor Duitsland te werken. Wapens en munitie mogen  niet geproduceerd worden, de  productie mag niet gemotiveerd zijn door winstbejag en slechts de noodzakelijke tegenwaarde voor de import van voedsel mag naar Duitsland worden geëxporteerd.

Het Galopin-comité  gelooft dat de regering Pierlot die politiek zou goedkeuren na de bevrijding. Maar de regering wenst dit niet te doen en laat de bestraffing van de collaboratie over aan het militair gerecht. Ganshof van der Meersch en het auditoraat-generaal komen tijdens gerechtelijke onderzoeken op het spoor van de Galopin-doctrine, maar wensen deze niet zonder meer te aanvaarden, onder meer omdat van de verwachte ruil van voedsel voor industriële producten in de praktijk niet veel in huis was gekomen. Het vervolgingsbeleid dreigt zich daardoor te keren tegen leiders van grote bedrijven in de invloedssfeer van de holdings die zich door de Galopin-doctrine hadden laten leiden. In die kringen wordt de onrust groot!

Een hoogoven bij Cockerill tijdens de oorlog. Toen de arbeiders in het Luikse in mei 1941 op grote schaal gingen staken kwam Hitler persoonlijk tussen om de bevoorrading van de streek te verbeteren; elke stakingsdag betekende een verlies van 2.000 ton staal voor de Duitse industrie ( Foto SOMA).

Produceren in opdracht van de regering ?

Als duidelijk wordt dat de regering niet bereid is Alexandre Galopin publiek te loven en op die manier de Galopin-doctrine impliciet te steunen, gooit het Galopin-comité het over een andere boeg.

De oorsprong van het Galopin-comité ging terug op een onderhoud dat een aantal leden van het latere comité op 15 mei 1940 hadden gehad met de ministers Paul-Henri Spaak (1899-1972) en Camille Gutt (1884-1971) in het vooruitzicht van een bezetting van Brussel en een terugplooi-operatie van de regering naar de kust.  In dat kader zouden ook de openbare kredietinstellingen en de Nationale Bank meetrekken zodat de betaling van het overheidspersoneel en de sociale uitkeringen in het gedrang dreigde te komen. Om dat probleem op te lossen vroeg de regering de vertegenwoordigers van de grote private financiële groepen die taak over te nemen. Na de oorlog zouden ze worden terugbetaald. 

Van links naar rechts, Paul-Henri Spaak, Camille Gutt en eerste minister Pierlot in Londen; de vierde persoon is onbekend (Archief Maurice De Wilde, VRT / SOMA).

In het artikel van  Le Soir van 14 november  1944 onder de suggestieve titel ‘Les silences de M. Pierlot’ –‘Het stilzwijgen van de heer Pierlot’- wordt niet alleen het bestaan van het Galopin-comité onthuld. Het suggereert ook dat de regering Pierlot in 1940 verwachtte dat het comité als ‘morele gids’ kon optreden in het bezette land. De Galopin-doctrine was  als het ware de concrete vertaling van deze opdracht.

De krant vroeg  Pierlot, die er over industriële activiteit tijdens de bezetting altijd het zwijgen had toe gedaan, zich uit te spreken. De regering reageert met een perscommuniqué op 23 november, waarin ontkend wordt dat er was gesproken over hervatten van de industriële activiteit op het onderhoud van 15 mei en er dus geen sprake kon zijn van een algemene vertrouwensopdracht aan het comité. Exit Galopin-doctrine? 

Het artikel in Le Soir van 14 november 1944 en een vervolg op 23 en 24 november 1944 (collectie SOMA).

Politieke druk

Na de bevrijding zijn de politieke krachtsverhoudingen grondig gewijzigd. De Communistische Partij is als gevolg van haar deelname aan het verzet, versterkt uit de oorlog gekomen en dringt aan, onder meer via een campagne in De Roode Vaan en Le Drapeau Rouge, op een strenge bestraffing van de economische collaboratie. De partij, die ook regeringsverantwoordelijkheid draagt, wordt daarin gesteund door het verzet en bepaalde liberale en socialistische politici.

Het beleid van Ganshof van der Meersch toont aan dat hij van de vervolging van de economische collaboratie een prioriteit maakt en dat hij de Galopin-doctrine niet zonder meer tot de zijne maakt. Deze situatie baart de Société Générale zoveel zorgen dat er intern aan wordt gedacht de minister van Justitie te vragen Ganshof ertoe aan te zetten zijn vervolgingsbeleid te milderen en lopende onderzoeken zo snel als mogelijk af te sluiten en af te zien van vervolging. Ondertussen is de regering Pierlot half februari 1945 opgevolgd door de regering Van Acker. 

De Rode Vaan kopt op 10 november 1944, niet voor het laatst, dat de "groote kuisch" in de bedrijven snel moet gebeuren (Archief Maurice De Wilde, VRT / SOMA).

De partijen die deel uitmaken van dit kabinet zitten niet allemaal op dezelfde golflengte. De socialist Achille Van Acker (1898-1975), daarin gesteund door de katholieken en een deel van de liberalen, meent dat het vervolgingsbeleid van auditeur-generaal Walter-Jean Ganshof van der Meersch  te ver gaat en het economisch herstel danig bemoeilijkt.  De minister van Justitie moet ingrijpen met een circulaire voor de militaire parketten  die de strafwet beperkend interpreteert zodat minder zou worden vervolgd.

Communisten en een deel van het verzet pleiten eveneens voor een ministerieel initiatief, maar dan om een omgekeerd effect te bewerkstelligen : ervoor zorgen dat vooral de grote economische collaborateurs zouden worden bestraft. De socialisten zijn verdeeld. Uiteindelijk besluit de regering dat de minister van Justitie, in overleg met de auditeur-generaal een circulaire zal opstellen om het vervolgingsbeleid te milderen. 

Groepsfoto van de eerste regering Van Acker. V.l.n.r. zittend : Kronacker (lib.., zonder portefeuille), Eyskens (kath., Financiën), Spaak (soc., Buitenlandse Zaken, premier Van Acker (soc., Kolenmijnen), du Bus de Warnaffe (kath., Justitie) en Van Glabbeke (lib., Binnenlandse Zaken).  Staand: Lalmand (comm., Ravitaillering), De Smaele (partijloos, Economische Zaken), Delvaux (kath., Landbouw), Ronse (kath., Informatie), De Bruyne (kath., Koloniën), Rongvaux (soc., Verkeerswezen), Vos (soc. Openbare Werken), Troclet (soc., Arbeid en Sociale Voorzorg) en Marteaux (comm., Volksgezondheid). Twee ministers ontbreken : Mundeleer (lib., Landsverdediging) en  Pauwels (kath., Oorlogsslachtoffers) . Collectie AMSAB.

Ganshof staat daar aanvankelijk niet helemaal afkerig tegenover, maar omdat de kritiek op zijn beleid aanhoudt, niet alleen in de pers maar ook en vooral vanuit de regering,  wijst hij een dergelijke interventie af omdat ze de vervolging van de economische collaboratie zou beperken. Ganshof slaagt erin de procureurs-generaal bij de Hoven van Beroep en het Hof van Cassatie achter zijn zienswijze te scharen, zodat de regering niets anders meer overblijft dan artikel 115 met een besluitwet beperkend te interpreteren. 

Ganshof probeert rechtstreeks bij de besluitvorming over deze wetsaanpassing betrokken te worden, maar krijgt nul op het rekest. De auditeur-generaal  schakelt de pers  en bevriende politici in om op het besluitvormingsproces te blijven wegen. Het debat wordt zeer openlijk gevoerd omdat de inhoud van de teksten die op tafel liggen openbaar worden gemaakt. Maar de tekst die uiteindelijk aan de ministerraad wordt voorgelegd en de besluitwet van 25 mei 1945 wordt komt slechts gedeeltelijk aan de bezwaren van de auditeur-generaal tegemoet. 

Ganshof van der Meersch, helemaal links, als aanklager voor het Krijgshof. Het Krijgshof behandelde in beroep de uitspraken van de krijgsraden (Archief Maurice De Wilde, VRT / SOMA).

Nieuwe criteria voor de vervolging van de economische collaboratie

De besluitwet van 25 mei 1945 voegt een tweede paragraaf toe aan artikel 115 van het strafwetboek en geeft aan het artikel een beperkende interpretatie,  zoals het Galopin-comité wenste.  Ganshof beschouwt de besluitwet als een persoonlijke nederlaag en vaardigt op 9 juli een circulaire uit aan de auditeurs die met de vervolging zijn belast waarin hij de besluitwet zo interpreteert dat de milderende werking ervan maximaal wordt beperkt. Een centraal element is de inperking van het gebruik van het begrip ‘noodtoestand’ om aan vervolging te ontsnappen.

Een papierfabriek tijdens de oorlog; een arbeider controleert de invoer van gerecycleerd papier in de machine (collectie AMSAB).

De Galopin-doctrine was  voor het eerst geformuleerd op 15 juli 1940, maar werd  in de loop van de bezetting verder uitgewerkt en verfijnd, ook juridisch. In 1941 schoof het comité het concept ‘noodtoestand’ naar voor om productie voor Duitsland onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar te maken. Noodtoestand betekent dat gekozen wordt tussen twee kwaden  : in dit geval artikel 115 van het strafwetboek overtreden om de productie te handhaven in het belang van de voedselbevoorrading en om verplichte tewerkstelling in Duitsland te vermijden. In een dergelijke situatie kon het beroep op de noodtoestand bestraffing beletten. Noodtoestand bestond echter niet in het Belgisch strafrecht in 1940. De besluitwet van 25 mei 1945 voert het in een aantal gevallen in voor economische collaboratie. In zijn circulaire interpreteert Ganshof  de toepassing ervan echter restrictief : enkel als aan zeer specifieke voorwaarden is voldaan kan de noodtoestand worden ingeroepen. 

Walter-Jean Ganshof van der Meersch en Achille Van Acker waren allebei Bruggelingen maar ze hebben elkaar toch vooral tegengewerkt  (Archief Maurice De Wilde, VRT / SOMA).

Ganshof houdt vast aan zijn strenge vervolgingsbeleid dat moet toelaten ook grote ondernemers te bestraffen. Deze politiek leidt naar aanleiding  van belangrijke processen over economische collaboratie tot nieuwe  conflicten met de zakenwereld en met de politiek, waarbij geprobeerd wordt de these dat het Galopin-comité een vertrouwensopdracht had van de regering opnieuw naar voor te schuiven. De rechtbanken wijzen het argument echter af.

Ganshof kan vaak rekenen op politieke steun om zijn positie te handhaven. In  juli 1946 valt zelfs een regering over een door hem geïnspireerde interpellatie van de socialist Henri Rolin (1891-1973)  tegen de liberale minister van Justitie Adolphe Van Glabbeke (1904-1959). Deze laatste is bij de voorzitter van het Krijgshof tussengekomen in een belangrijke lopende rechtszaak (Petrofina). 

Maar dit is  eerder een schijnoverwinning : het auditoraat-generaal komt meer en meer in het defensief. Naarmate de afstand tot de oorlog vordert, de politieke verhoudingen normaliseren en de Koude Oorlog opdoemt, verliest de vervolging van de economische collaboratie veel van de urgentie die ze na de bevrijding nog had gehad. 

Het grote oliebedrijf Petrofina verkocht voor de oorlog zijn producten vooral onder de merknaam Purfina ( links affiche, rechts opslagplaats in de Antwerpse haven). Drie bestuurders van Petrofina werden in beroep in 1946 tot 7 jaar gevangenisstraf veroordeeld, vooral omwille van de verkoop van belangen van het bedrijf in Roemenië aan de Duitsers in 1940 (Wikimedia Commons). Petrofina werd eind vorige eeuw opgeslokt door het Franse Total.

Meest gelezen