75 jaar geleden: de geboorte van onze sociale zekerheid

Op 28 december 1944 wordt de besluitwet afgekondigd die alle werknemers in de privé-sector in ons land een ruime sociale zekerheid biedt. De wet zet een systeem op poten dat sociale bescherming biedt in de vorm van pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslag en uitkeringen in geval van ziekte en invaliditeit. Ook het vakantiegeld voor de arbeiders, of "werklieden" zoals ze dan worden genoemd, maakt er deel van uit. 

Dit is een bijdrage van Dirk Luyten, historicus en sinds 1999 onderzoeker bij het Rijksarchief/CEGESOMA en specialist  van de economische collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de repressie ervan en de geschiedenis van het sociaal beleid. Meer over België tijdens en na de Tweede Wereldoorlog vindt u op "Belgium WW II".

De sociale zekerheid wordt vaak verbonden met de figuur van de socialistische minister van Arbeid en Sociale Voorzorg en latere Eerste Minister Achille Van Acker (1898-1975),  die de "vader van de sociale zekerheid" wordt genoemd. Hij pakte inderdaad zelf graag met die belangrijke verwezenlijking uit. 

Van Acker heeft een beslissende rol gespeeld in het ontstaan van de sociale zekerheid, maar hem alleen het vaderschap toewijzen is wellicht een beetje te veel eer: de sociale zekerheid ontstaat  immers niet uit het niets, andere actoren hebben een rol gespeeld in het ontstaan en de voorbereiding ervan en ook de maatschappelijk-politieke context moet in rekening worden gebracht.

Lees verder onder de foto: 

Achille Van Acker, hier in zijn werkkamer in 1965 speelde een belangrijke rol bij de invoering van de sociale zekerheid (Collectie Rijksarchief/CegeSoma).  Voor beginillustratie zie helemaal onderaan dit artikel.

Van sociale verzekeringen naar sociale zekerheid

Om het hoofd te bieden aan de sociale problemen die gepaard gaan met de ontwikkeling van het industrieel kapitalisme worden vanaf het einde van de negentiende eeuw verschillende - aanvankelijk lokale - sociale verzekeringen op poten gezet, vaak maar niet uitsluitend vanuit de arbeidersbeweging: werkloosheidskassen van de vakbonden, mutualiteiten en pensioenkassen. Aansluiting is niet verplicht en afhankelijk van de betaling van een persoonlijke bijdrage. De overheid geeft vaak een subsidie, wat toetreding kan stimuleren.

Lees verder onder de foto: 

Werkmansboekjes uit 1845 en 1925. Tot 1883 mocht de patroon daarin allerlei opmerkingen over zijn werknemer schrijven.

Na de Eerste Wereldoorlog speelt de overheid een wat actievere rol als subsidieverstrekker: voor de werkloosheidsverzekering wordt bijvoorbeeld een Nationaal Crisisfonds opgericht. Via wetgeving voert de staat een verplicht pensioensysteem in voor arbeiders en bedienden uit de privéséctor (1924/25), gefinancierd door bijdragen van werknemers en werkgevers, met een staatstoelage. Al tijdens, maar vooral na de Eerste Wereldoorlog, betaalt een aantal werkgevers kinderbijslag. Het stelsel wordt veralgemeend en verplicht in 1930. De verschillende sociale verzekeringen staan los van elkaar. 

Lees verder onder de foto: 

Arbeidershuisjes in Brugge circa 1900 ( Collectie AMSAB).

De sociale zekerheid van 1944 is een verplicht en geïntegreerd systeem. Dit betekent dat een sociaal verzekerde voor alle takken van de sociale zekerheid gedekt blijft: een werkloze ontvangt bijv. verder kinderbijslag. De werknemers betalen één bijdrage, een % van het loon dat wordt afgehouden door de werkgever, die zelf ook een bijdrage betaalt voor elke werknemer. De werkgever stort de bijdrages door naar de rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid (vandaag Rijksdienst voor Sociale Zekerheid) die het systeem financiert en organiseert. Op die manier krijgt de sociale zekerheid een publiek karakter. De staat is overigens de derde financier. De uitkeringen worden verhoogd, net zoals de lonen, in september 1944.

Lees verder onder de foto's:  

Verkiezingsaffiche van de Belgische Werkliedenpartij uit 1912 met kritiek op het spaarsysteem voor pensioenen dat toen bestond (Collectie AMSAB).
Bij de verkiezingen van 1925 zetten de Katholieken hun pensioenvoorstellen af tegen die van de socialisten (Collectie KADOC).

In de opbouw van de sociale verzekeringen hebben private organisaties een grote rol gespeeld. De sociale zekerheid continueert hun rol : sociale organisaties (vakbonden, mutualiteiten, kinderbijslagfondsen) blijven de uitkeringen uitbetalen, leggen zo de band tussen hun leden en het nieuwe systeem, wat hun machtspositie ten goede komt.

 Helemaal nieuw is de sociale zekerheid dus niet, het is zeker geen big bang zoals bepaalde Belgen in Londen voorstaan, onder meer geïnspireerd door het voorbeeld van de liberale politicus William Beveridge (1879-1963) die in 1942 in zijn rapport Social Insurances and Allied Services een sociaal zekerheidssysteem uittekent waar de staat een belangrijke rol krijgt toebedeeld. 

Lees verder onder de foto: 

Vlaggen van liberale mutualiteiten in Sint-Niklaas en Willebroek, vroege 20e eeuw ( Collectie Liberaal Archief).

Het Sociaal Pact

In bezet België is ook een blauwdruk uitgewerkt voor een sociaal zekerheidssysteem. Velen zijn er na de grote recessie van de jaren 1930 en de massale werkloosheid immers van overtuigd dat na de oorlog sociale hervormingen nodig zijn om de stabiliteit van het politieke systeem te waarborgen. Deze blauwdruk, goedgekeurd in april 1944, is de geschiedenis ingegaan als het Sociaal Pact.

Het Pact wordt onderhandeld door een deel van de leiding van de vooroorlogse centrale patroonsorganisatie (Comité Central Industriel)  en een aantal vooroorlogse (overwegend socialistische) leiders van vakbonden en mutualiteiten. Ook hoge ambtenaren zoals de werkloosheidsspecialist Henri Fuss (1882-1964) zijn erbij betrokken. In het Pact wordt een sociaal zekerheidssysteem uitgetekend, tot in de details, zoals de bijdragepercentages per tak van de sociale zekerheid (pensioen, werkloosheid …) voor werknemers en werkgevers. Dat er een plan klaarligt vergemakkelijkt de besluitvorming na de bevrijding. 

Lees verder onder de foto: 

Henri Fuss noemde de sociale zekerheid een noodzakelijke basis voor vrede op lange termijn in een tekst, die hij in november 1944 in het tijdschrift Alerte  publiceerde .

Een gunstige politieke context

De besluitwet op de sociale zekerheid wordt snel goedgekeurd: minder dan 4 maanden na de bevrijding is de wettelijke basis gelegd. Naast de continuïteit met het verleden, het voorbereidende werk in het Sociaal Pact, die al tot een relatieve consensus over de hervorming heeft geleid en de trend in de Westerse kapitalistische landen naar de uitbreiding van de sociale bescherming, speelt ook een rol dat bewegingen links van de sociaal – democratie, voor wie sociaal – economische hervormingen een prioriteit zijn, versterkt uit de oorlog zijn gekomen. De clandestiene vakbeweging en de Communistische Partij zijn de belangrijkste dragers van deze verschuiving naar links. Ook de sociale ellende van de arbeiders, met name in Wallonië, die hun koopkracht spectaculair hebben zien dalen en een compensatie verwachten, speelt mee. 

Lees verder onder de foto: 

Manifestatie van de christelijke arbeidersbeweging in Gent op Rerum Novarum in mei 1934 (Collectie KADOC).

Toch is niet iedereen overtuigd van de noodzaak van de invoering van de sociale zekerheid. Met name de traditionalistische vleugel van het patronaat, waartoe de toen nog machtige steenkoolsector behoort naast de Société Générale, de holding die dan ongeveer 40 procent van de (vooral zware) industrie controleert, is gekant tegen een systeem dat niet alleen de loonkost opdrijft maar grotendeels aan hun directe controle ontsnapt omdat het een publiek karakter heeft. 

Lees verder onder de foto: 

De traditionalistische vleugel van het patronaat, onder meer de  steenkoolmijnen, toen nog een economische sleutelsector, verzette  zich tegen de invoering van de sociale zekerheid (Collectie Rijksarchief/CegeSoma).

Voor de socialistische partij, die verzwakt uit de oorlog is gekomen, is de sociale zekerheid een prioriteit. Het Belgisch socialisme heeft een traditie om vooral in te zetten op directe sociale verbeteringen. Een snelle invoering van de sociale zekerheid komt de concurrentiepositie met de Communistische Partij ten goede, die veel minder ervaring heeft met sociale verzekeringen.

Dit maakt begrijpelijk waarom de sociale zekerheid een politieke prioriteit is van de pragmaticus Van Acker, die overigens al met de materie bezig is in de jaren 1930 en als minister van Arbeid en Sociale Voorzorg in 1944 de sleutel in handen heeft om de hervorming gestalte te geven. Bovendien wordt Henri Fuss, die betrokken was geweest bij de onderhandelingen over het Sociaal Pact, na de bevrijding de hoogste ambtenaar op het ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg. Fuss houdt de pen vast bij de redactie van de wettekst en kan direct terugkoppelen naar zijn collega-onderhandelaars van het Pact wanneer technische knopen moeten worden doorgehakt. 

Lees verder onder de foto: 

"Achille Van Acker als een gulle kerstman die een presentje heeft voor iedereen". Tekening van Georges Van Raemdonck (Collectie AMSAB).

De regering Pierlot heeft bijzondere machten, wat impliceert dat het parlement niet tussenkomt in het wetgevend proces (daarom gaat het om een besluitwet), zodat de oppositie moeilijker stokken in de wielen kan steken.

Het mag dan wel zo zijn dat Achille Van Acker de sociale zekerheid niet in zijn eentje heeft ingevoerd, hij slaagt er wel in de beslissing heel snel door te drukken. De sociale zekerheid van 1944, die enkel geldt voor arbeiders en bedienden in de privé-sector, is bedoeld als een voorlopig systeem, dat verder moet worden uitgebouwd. Niettemin is de sociale zekerheid zoals we die vandaag kennen nog in sterke mate gelijkend op het stelsel van 1944, dat dus een zekere mate nog verder leeft. In die zin kan van een monument gesproken worden. 

Lees verder onder de foto: 

De strijd tegen armoede en voor sociale verzekeringen was een weerkerend thema in de socialistische verkiezingspropaganda, verkiezingsaffiche van de Belgische Werkliedenpartij uit 1929 (Collectie AMSAB).