75 jaar geleden: de Joodse kinderen, de toekomst na de Holocaust

Van de naar schatting 10.500 Joodse kinderen in België bij het begin van de Tweede Wereldoorlog werden er 4.245 gedeporteerd en omzeggens allemaal vermoord in Auschwitz. De opvoeding van de overlevende kinderen na de bevrijding is een belangrijke kwestie, zij zijn immers de toekomst.

Dit is een bijdrage van Veerle Vanden Daelen. Zij is historica en adjunct-algemeen directeur en conservator van de Kazerne Dossin in Mechelen. Zij heeft vooral gewerkt rond de terugkeer van Joden naar Antwerpen en de heropbouw van het dagelijks leven na de Tweede Wereldoorlog. Eindredactie en illustratie Jan Ouvry. Meer over de Joodse gemeenschap in ons land tijdens en na de oorlog vindt u hier.

Op 5 oktober 1944, amper een maand na de bevrijding van de stad, opent in Antwerpen een "verenigde Joodse school". Een dertigtal leerlingen biedt zich aan. Zoals alle andere scholen in Antwerpen moet de school op 25 oktober al haar deuren sluiten wegens het gevaar van de V-bommen die op de stad neerkomen.

Nergens elders in Europa is zo snel een poging ondernomen om Joods onderwijs terug op te starten. Het oprichten van een school is niet vanzelfsprekend binnen een zwaar getroffen en uitgedunde gemeenschap die aan alles te kort heeft: onderdak, voedsel, kleding, informatie over het lot van zovelen,... Het toont hoe zwaar voor de Joodse gemeenschap de toekomst van haar overblijvende kinderen weegt.

Een lid van het Canadian Women's Army Corps en een Joodse aalmoezenier in het Canadese leger geven een cadeau aan een Belgisch Joods meisje tijdens een Chanoeka-viering in december 1944 ( bron NA Canada).  Beginfoto: kinderen van de Antwerpse Jesoda Hatora-school in 1946 (bron Kazerne Dossin).

"In een tijd waarin het Joodse volk slachtoffer werd van een bloedbad zonder precedent, is elk gered kind van onschatbare waarde voor ons, want het is de hele toekomst van ons volk", zo klinkt het in het jaarverslag van de Raad van Joodse Verenigingen in België in juni 1946. Onmiddellijk na de bevrijding is de opvoeding van een nieuwe Joodse generatie na de catastrofe van de Holocaust voor veel overlevenden hét belangrijkste doel. Elke organisatie of strekking binnen het Jodendom heeft eigen ideeën en opvattingen over hoe Joodse (wees-) kinderen opgevangen moeten worden en over welke soort opvoeding kinderen moeten krijgen. Omdat de kinderen de toekomst vormen, de nieuwe generatie, zijn deze discussies vaak hevig.

"Geredde" Joodse kinderen en Amerikaanse en Canadese soldaten tijdens een Chanoeka-viering in december 1944 (bron NA Canada).

Het opsporen en terughalen van de kinderen

Na de bevrijding is de situatie van veel Joodse kinderen chaotisch. Tijdens de bezetting heeft het Comité ter Verdediging van de Joden (CVJ) ongeveer 2.000 kinderen ondergebracht bij niet-Joodse gezinnen en instellingen. Daarnaast zijn tijdens de oorlog ongeveer 650 kinderen in de door de Vereniging van de Joden in België (VJB) opgerichte tehuizen ondergebracht. Deze kinderen komen na de bevrijding onder de hoede van de Hulp aan Israëlieten Slachtoffers van de Oorlog (HISO), de voortzetter van het CVJ in Brussel.

Het is echter bijzonder moeilijk om een zicht te krijgen op het aantal kinderen dat niet door het verzet, maar door de eigen ouders bijvoorbeeld, in een niet-Joods milieu geplaatst is. Die informatie verzamelen blijkt een belangrijke, maar moeilijke taak. 

De Joodse kinderen Anette en Margo Lederman, met Lydia Van Buggenhout, de dochter van de familie in Rumst die hen tijdens de oorlog onderdak bood. De ouders van de meisjes, die hen bij de familie Van Buggenhout hebben ondergebracht, zijn allebei omgekomen in de kampen. De familie Van Buggenhout wil de meisjes adopteren, maar dat stuit op verzet. Ze komen in een weeshuis terecht en worden uiteindelijk geadopteerd door een Joods gezin in de Verenigde Staten (bron USHMM).

Naast het opsporen van de kinderen zoekt men informatie over het wedervaren van de ouders. Zijn ze ondergedoken of gedeporteerd? Is er enige informatie over hun lot? Indien de ouders terugkomen, lijkt het evident dat de kinderen opnieuw bij hen gaan wonen. Vaak echter verhinderen materiële problemen dat.

De meeste Joden hebben immers niets meer, zelfs geen woning. Veel ouders zijn ook fysiek en psychisch niet in staat om voor zichzelf of een gezin te zorgen. Zij zijn zelf afhankelijk van sociale hulp voor het vinden van voedsel, een woonst en – indien ertoe in staat – een baan. Het zoeken naar werk of het uit werken gaan, maakt dat alleenstaande ouders of koppels van wie een van beide ziek is, hun kinderen niet kunnen opvangen. Zeker met erg jonge kinderen thuis is het vaak niet mogelijk om een voltijdse betrekking uit te oefenen.

De Joodse sociale hulporganisaties tonen begrip voor deze situatie en steunen deze gezinnen zoveel mogelijk, zowel materieel als financieel. Indien het echt niet anders kan, verblijven de kinderen, al dan niet tijdelijk, in Joodse tehuizen. 

Medewerkers van het "World Jewish Congress" in de VS, met op de achtergrond foto's van kindertehuizen in verschillende Europese landen die door de organisatie worden ondersteund. Joodse hulporganisaties, ook in ons land, waren in de eerste jaren na de oorlog sterk afhankelijk van Amerikaanse hulp (bron WJC-collectie).

Voor de kinderen is de hereniging met de ouders vaak een trauma: "Men had ons verwittigd, maar ik wist niet dat het mama zou zijn. Toen ze het bureau van Mevrouw Rotschild binnenkwam [… werd ik] gegrepen door een afschuwelijk gevoel van afstoting. Ik kon mama niet aanvaarden. Ik herkende haar niet; dat skelet met die grote ogen en dat dunne haar op de schedel, dat was mijn mama niet. De vrouw van wie ik was gescheiden was een mooie, een beetje mollige vrouw, en nu kreeg ik plotseling een monster te zien. […] Ze strekte haar armen naar ons uit, twee smalle armen. Het was vreselijk, afgrijselijk. En ik, ik hield me recht met die afkeer in mijn ogen, zonder iets te zeggen, zonder te reageren. Dat was een verschrikkelijk moment in mijn leven."  

Joodse kinderen in het Tiefenbrunner-weeshuis in Antwerpen, tussen 1946 en 1950 (Kazerne Dossin Jan Maes research collection).

Veel kinderen hebben bij de bevrijding in september 1944 en nog vele maanden daarna geen nieuws over hun ouders. Is het dan in het belang van het kind om bij zijn pleeggezin te blijven of is het belangrijker dat het kind zo snel mogelijk in een Joodse omgeving terechtkomt, ook al is dat een weeshuis?

Deze en andere vragen leiden in het eerste jaar na de bevrijding tot heftige discussies, niet alleen tussen de Joodse gemeenschap en de niet-Joodse redders, maar ook heel fel binnen de Joodse gemeenschap zelf, omdat het opnieuw gaat over de toekomst van het Joodse volk en hoe Joods leven er zal uitzien na de Shoah.

Vooral heel religieuze en heel zionistische joden menen dat, wat er ook met de ouders gebeurd is, in leven of niet, men de kinderen in elk geval zo snel mogelijk moet terugbrengen naar een Joods milieu. Zij keren zich ook tegen de christelijke bekeringen, want sommige kinderen zijn tijdens de oorlog gedoopt en ook na de bevrijding is nog sprake van het "redden van zieltjes". Anderen vinden het beter te wachten op nieuws over de ouders, vooraleer de kinderen opnieuw weg te halen uit een voor hen vertrouwde omgeving. 

Leden van de Joodse gemeenschap brengen een bezoek aan een weeshuis. De fiets is duidelijk een van de cadeaus die ze hebben meegebracht  (bron Beit Lohamei Hagetaot- Israel).

Bovendien is de Joodse gemeenschap in België niet opgewassen tegen het opvangen van duizenden kinderen. Het terughalen naar een Joodse omgeving impliceert de opvang in Joodse kindertehuizen, want er zijn niet genoeg mogelijke pleeggezinnen. Het ontbreekt de Joodse gemeenschap ook aan financiële en materiële middelen.

Veel pragmatici verkiezen om de kinderen, zeker zolang men in het ongewisse blijft over het lot van de ouders, niet te verplaatsen. De discussie over deze problematiek verscherpt naarmate het einde van 1945 nadert. De repatriëring  van overlevenden uit de kampen loopt ten einde en het wordt steeds onwaarschijnlijker dat ouders van wie men nog geen nieuws heeft, ooit terugkeren. De vraag verandert van "Wat doen we in afwachting van nieuws over de ouders?" naar "Wat doen we met Joodse weeskinderen in een niet-Joods milieu?"

Vier meisjes van de Antwerpse Jesode Hatora-school bij het "Tu BiShvat"-feest in 1946. Ze dragen mandjes met fruit en noten die traditioneel bij dat feest horen (Kazerne Dossin, collectie Jesode Hatora).

Scholen en weeshuizen in Antwerpen

Orthodoxe groeperingen in België, en dan vooral in Antwerpen, komen in actie om kinderen terug te halen én hen  een Joodse-religieuze – al dan niet zionistische – opvoeding te geven.

Als alle Antwerpse scholen op 2 mei 1945 hun deuren heropenen, zijn daar ook de twee vooroorlogse Joodse dagscholen bij. Ze beginnen met een klein aantal leerlingen, 61 bij de religieus-zionistische Tachkemoni-school, amper 17 bij de orthodoxe  Jesode Hatora-Beth Jacob. Maar beide scholen groeien snel. Na tweeënhalve maand heeft Tachkemoni bijvoorbeeld  al 208 leerlingen.

De prijsuitreiking op het einde van het schooljaar 1945-46 in de Jesode-Hatora-school (Kazerne Dossin, collectie Jesode-Hatora).

Naast de twee scholen worden ook twee Joodse weeshuizen in Antwerpen opgericht. Het Manaster-tehuis, gekoppeld  aan de Tachkemoni, start in februari 1946 met 80 tot 90 wezen. Dit zionistisch-religieuze tehuis zal in Antwerpen blijven tot alle kinderen en hun begeleiders naar Israël emigreren in september 1949.

Later in 1946 opent een tweede weeshuis, het Tiefenbrunner-tehuis. Het is verbonden met de Jesode Hatora, meteen ook de school waar de kinderen naartoe gaan en waar ze een orthodox-religieuze opvoeding krijgen: "We willen onze kinderen niet alleen de meeste seculiere kennis geven, maar ook een diepgaande kennis van de Joodse traditie en religie. Zij moeten deel uitmaken van de Joodse orthodoxie die zo verschrikkelijk gedecimeerd is door de oorlog. Ons tehuis wordt volgens de meest strikt religieuze principes gerund." Het Tiefenbrunner-huis, dat ook afdelingen heeft in Sint-Mariaburg en Brussel,  vangt in 1947 tussen de 120 en 150 kinderen op. 

Kinderen van een Tiefenbrunner-tehuis tijdens een uitstapje in de omgeving van Luik (bron USHMM).

Het naoorlogse Joodse onderwijs in Antwerpen krijgt een sterk religieus karakter. De ongewoon snelle opstart van orthodox Joods dagonderwijs in Antwerpen leidt immers tot het ontstaan van tal van andere orthodox-religieuze scholen. Antwerpen trekt – mede hierdoor – veel orthodoxe Joden aan.

85 tot 90 procent van de Joodse kinderen in het naoorlogse Antwerpen gaat naar een Joodse dagschool. In 1941 – nog voor Joodse kinderen verplicht naar een Joodse school dienden te gaan – was dat maar dertig procent. Elders in België en in Europa gaan Joodse kinderen vooral naar het officieel onderwijs en krijgen ze hun Joodse educatie ofwel daar of via bijscholen. 

De klas van meester Hellemans in de Tachkemoni-school in 1946 (Kazerne Dossin Jan Maes research collection).

Op alle mogelijke manieren getekend

Naoorlogse foto’s tonen klassen met duidelijke leeftijdsverschillen binnen één klas. Veel kinderen hebben schoolachterstand opgelopen, sommigen komen pas na de oorlog als vluchteling voor het eerst in België terecht en hebben ook nog eens een taalachterstand. Leerlingen en leerkrachten zijn allemaal getekend door de oorlog: ze zijn gevlucht, hebben ondergedoken gezeten, een kleine minderheid heeft de kampen overleefd, velen hebben hun ouders en familie verloren.

Sneeuwpret voor het kleuterklasje van juffrouw Emma Van Assche in de Tachkemoni-school, 1946 (Kazerne Dossin Jan Maes research collection).

Elk kind is getekend. Oud-leerlingen van de Tachkemonischool getuigen: "Wij waren allemaal min of meer getraumatiseerd, want geen enkele van ons had een normale jeugd gehad. Die leraars hebben het zeker niet gemakkelijk gehad met ons… . Er waren ook verschillende gradaties. Wij waren, zelfs mét de stress die thuis heerste en al wat er gebeurde, de gelukkigen omdat wij samen met onze familie ondergedoken waren, want er waren ook kinderen die van het buitenland gekomen zijn, van Polen of een veilig onderkomen in Engeland en weeskinderen waarvan vader of moeder of allebei omgekomen waren en die of in een weeshuis of door een familielid opgevangen werden. Dat was dus echt van alles, met alle trauma’s van dien en dat heeft zeker een heel grote invloed gehad, maar wij beseften dat natuurlijk niet, wij waren kinderen!.

Bij Jesode Hatora verwoordt men het zo: "Jammer genoeg hebben al onze kinderen moeilijke tijden gekend. […] De meesten zijn wees. Ze hebben een thuis nodig. Alleen in een Joodse school kunnen zij zich thuis voelen. Alleen daar kunnen hun wonden helen".  

Thora-les voor de jongens van de Jesode-Hatora-school in 1946 (Kazerne Dossin, collectie Jesode-Hatora).

Een gelijkaardige overtuiging om na de judeocide sterk in te zetten op het doorgeven van traditie heerst ook bij de Jiddische school die in oktober 1945 heropgericht wordt om de leerlingen wegwijs te maken in de Jiddische grammatica en literatuur. Bij de eerste naoorlogse prijsuitreiking in juli 1946 denkt men met pijn in het hart terug aan de tijd dat het aantal leerlingen niet "oif di finger getsejlt" kon worden. Voor een van de leerkrachten, Chava Rozenberg, wiens hele klas uit het getto van Lodz was omgekomen, zijn de huidige scholieren de grootste troost: "Met wenen alleen kunnen we niets opbouwen. De mooiste manier om de kinderen uit Lodz te gedenken is hun lied verder te zingen". En toch, bij gebrek aan mensen en middelen verdwijnt dit initiatief geruisloos van het Antwerpse toneel.

De staf en de kinderen van het Tiefenbrunner-weeshuis poseren voor hun Amerikaanse weldoeners uit Brooklyn (Yeshiva University Archives).

De oorlogservaringen van de kinderen zijn bepalend voor hun verdere leven. Kinderen die de oorlog in een tehuis of een klooster overleefden, kijken heel anders tegen deze ervaring aan dan zij die in een gezin opgenomen waren. Hetzelfde geldt voor de naoorlogse periode: terugkeren naar de overlevende familie, geadopteerd worden, in een weeshuis of in een niet-Joods milieu blijven ... het zorgt allemaal voor verschillende ervaringen.

Veel van de kinderen hebben nooit over hun trauma’s en verdriet kunnen praten. Van psychologische hulp voor deze allerjongste slachtoffers van de vervolging, ontsnapt aan de genocide, is onmiddellijk na de oorlog tot vele decennia later geen aandacht. Pas bij de oprichting van de vereniging "Het Ondergedoken Kind", eind 1991, kunnen Joodse onderduikkinderen – inmiddels al oud genoeg om opa of oma te zijn – over hun ervaringen spreken en verwerken wat zij tijdens en zeker ook na de oorlog hadden meegemaakt. 

Kinderen uit een Joods weeshuis in België dansen de traditionele hora (bron Beit Lohamei Hagetaot- Israel).