75 jaar geleden: de laatste deportaties van politieke gevangenen naar Duitsland

Nog net voor de bevrijding van Brussel in 1944 probeert de Duitse bezetter zo'n 1500 politieke gevangenen vanuit de hoofdstad naar Duitsland te brengen. Dat mislukt, maar vele anderen komen die laatste oorlogsdagen wel nog in concentratiekampen terecht.

Dit is een bijdrage van de historici Gert De Prins en Alain Collignon. Gert De Prins is verbonden aan Dienst Archief Oorlogsslachtoffers van het Algemeen Rijksarchief en zijn aandachtspunten zijn verzet, politieke gevangenen, verplichte tewerkstelling tijdens WOII en de naoorlogse vergoeding van de burgerslachtoffers. Alain Collignon werkt bij CEGESOMA Algemeen Rijksarchief en is gespecialiseerd in collaboratie en dagelijks leven tijdens en de herinnering aan WO II. Eindredactie Jan Ouvry. Meer over België tijdens de Tweede Wereldoorlog vindt u hier.

Hun gevangenen bij de aftocht achterlaten is voor de Duitsers geen optie: in hun verbeelding zouden deze weerstanders, eenmaal bevrijd, opnieuw de wapens opnemen in een genadeloze partizanenoorlog tegen de terugtrekkende Duitsers. Al in april 1944, meer dan een maand voor de landing in Normandië, vraagt Brussel Berlijn instructies voor wat er moet gebeuren bij de ontruiming van het land.

Er wordt plaats voorzien in de concentratiekampen: 1.000 gevangenen kunnen  overgebracht worden naar het kamp Natzweiler in de Elzas, 2.500 anderen naar Buchenwald. Voor de vrouwen is er het kamp Ravensbrück. Het Duitse bestuur in België talmt niet en zendt op 6 mei 1944 alvast een groep van 648 gevangen van het Fort van Breendonk naar Buchenwald. Meer transporten zullen volgen.

Gevangenen voor de deur van hun cel in Breendonk, foto van een reconstructie gemaakt kort na de bevrijding. Beginfoto: pas aangekomen gevangenen op het binnenplein in Breendonk; foto gemaakt door de Duitse fotograaf Otto Kropf  (SOMA). © IWM (B 10071)

Het Fort van Breendonk wordt niet langzaam afgebouwd in de zomer van 1944. In augustus komen nog meer dan 250 arrestanten aan in het kamp. Getuigen vermelden ook hoe nog in augustus 1944 twee groepen gevangenen terechtgesteld worden.

Joseph Jaspers uit Hasselt, 18 jaar oud, is nog maar enkele dagen in het Fort: ‘De laatste dagen dat ik in het kamp verbleef zijn er een zestal personen gefusilleerd. […] Terwijl dit gebeurde moesten wij in het Fort gaan. Ik heb dan nadat deze personen waren terechtgesteld, de bloedsporen gezien in het zand rond de palen waar deze waren doodgeschoten.’

Het gaat alles samen om tien tot vijftien slachtoffers, hun namen blijven onbekend. Wellicht zijn ze overgebracht naar de begraafplaats op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek, achter de gebouwen van de VRT nu.

De begraafplaats op de Nationale Schietbaan kort na de bevrijding in 1944, verwanten komen bloemen leggen op de graven van de terechtgestelden (bron NARA).

Tegelijk probeert de kampleiding zo veel mogelijk sporen uit te wissen: gevangenen zien hoe ze dossiers, registers en administratieve documenten verbranden, in de weken voor de ontruiming vinden er doorlopend schilderwerken plaats in de gebouwen en ten slotte verdwijnen ook de executiepalen en de galg.

Maar de zenuwen staan gespannen. Nog in de laatste weken worden ten minste drie gevangenen zo mishandeld door de bewakers dat ze in het Fort overlijden aan hun verwondingen. De bekendste is Dirk Sevens, substituut-procureur des Konings.

Het doodsprentje van Dirk Sevens; hij was Vlaamsgezind maar zeer gekant tegen de collaboratie en actief in het verzet en bij het helpen onderduiken van Joden in Antwerpen. Ook zijn vrouw, Hilda Danneels werd opgepakt en naar het concentratiekamp van Ravensbrück gebracht, maar zij overleefde (bron: bel-memorial.org)

Eén van de laatste transporten naar Duitsland wordt op 30 augustus samengesteld in spoorwegstation Antwerpen Dam. In Willebroek, op wandelafstand van het Fort van Breendonk, zijn  al enkele wagons volgeladen met minstens 141 arrestanten. Vanuit Gent komen vrachtwagens met de politieke gevangenen van de Nieuwe Wandeling. In Antwerpen zelf komen de leden van het verzet die zich nog in de gevangenis Begijnenstraat bevinden erbij. Bestemming van het transport is het concentratiekamp Neuengamme, in het noorden van Duitsland.

Nog voor het vertrek valt reeds een eerste slachtoffer. François Van Eetvelt uit Hoboken, 23 jaar oud en lid van de verzetsgroep NKB, is pas enkele dagen tevoren aangehouden. Hij leunt tegen de zijverlichting van de trein en wordt, zonder waarschuwing, door de schildwacht op het perron neergeschoten. Volgens een andere getuige probeert Van Eetvelt te vluchten. Onderweg valt nog minstens één dode: André Ameye, een 32-jarige man uit Moeskroen. In de buurt van Breda vuurt een meereizende soldaat in de treinwagens, ook nu om een echte of vermeende ontsnapping te voorkomen. De bewakers voerden de lichamen van Van Eetvelt en Ameye mee tot Neuengamme, waar ze als laatsten van hun groep geregistreerd werden met de gevangenennummers 45700 en 45701.

Een van de zeer zeldzame, clandestien gemaakte foto's van een transport, in dit geval van verplichte tewerkgestelden die worden afgevoerd naar Duitsland vanuit het station van Etterbeek ( collectie Maurice De Wilde, VRT / SOMA ).

Voor de wegvoering van de allerlaatste gevangenen uit het Fort van Breendonk vindt de bezetter geen treinvervoer meer. De kampleiding eist nog dezelfde dag in Antwerpen twee autobussen op. 131 gevangenen moeten erin plaatsnemen. Liggend op de grond en onzichtbaar vanop straat reizen ze naar het concentratiekamp Vught bij ’s Hertogenbosch in Nederland. De tocht naar Vught loopt voor de tachtigjarige Ferdinand Poswick dramatisch af. Medegevangene Leon Vanderpoorten:

‘Iedere keer dat één van ons het hoofd ophief, werd hij geslagen op het hoofd of op de rug. Heel wat van ons waren bebloed toen we aankwamen in Vught. Poswick bevond zich in dezelfde autobus als ik en door zijn hoge leeftijd had hij veel meer moeite om in de houding te blijven die ons bevolen was. Hij heeft daardoor meer slagen gekregen dan de anderen, zodanig zelfs dat toen we aankwamen in Vught, ik hem samen met een vriend uit de bus heb moeten helpen en we hem met de rug tegen een muur hebben neergezet.’

Ze dragen hem nog een eind verder, naar de plaats waar de gevangenen geregistreerd worden. Enkele ogenblikken later zit Poswick dood in zijn stoel.

Bidprentje en gedenksteen op de gemeentelijke begraafplaats van Tihange voor Ferdinand en zijn vrouw Mariana. Ook zij werd afgevoerd en kwam begin 1945 om in het concentratiekamp van Ravensbrück ( bron: bel-memorial.org ).

De leden van het verzet, die het Fort van Breendonk op 2 september betreden, treffen een leeg gebouw aan, verlaten door alle arrestanten en bewakers, zonder bewijsmateriaal voor wat er de voorbije jaren is gebeurd.

Kamp Vught na de bevrijding toen er Duitse geïnterneerden werden opgesloten. In het kamp zijn 735 mensen omgekomen, de meesten eind juli begin september 1944 (bron NARA).

In Mechelen komt met de bevrijding van de Dossinkazerne een eind aan de wegvoering van de Joodse bevolking uit België. Het laatste transport met 563 personen vertrekt er op 31 juli. Ook daarna brengt de Duitse politie nog steeds Joodse arrestanten binnen. Een laatste poging einde augustus om nog een grote groep Joden op te pakken mislukt door een tussenkomst van het Joodse verzet. Ook hier proberen de Duitsers alle bewijzen te vernietigen, maar gevangene Maurice Van Rees weet de belangrijkste stukken te redden: de ‘Transportliste’ met de namen van alle weggevoerde Joden…

De tassen van nieuwkomers in Dossin worden gecontroleerd. Tekening van Irene Awret  (bron: Beit Lohamei Hagetaot-Israël). Irene Spicker, een Berlijnse Jodin en kunstenares, vluchtte in 1939 naar België. In 1943 werd ze opgepakt en naar Dossin gebracht. Daar werkte ze eerst in de lederwerkplaats en later in het kunstatelier. Ze bleef in Mechelen tot de bevrijding van het verzamelkamp.  Daar leerde ze ook haar latere man, Azriel Awret, kennen.

Het finale transport komt er nooit meer. In de nacht van 3 op 4 september trekken de SS’ers weg, met alle etenswaren en andere buit die ze kunnen vervoeren. In de kazerne blijven minstens 550 mensen achter. Ze vertrekken en vieren de aankomst van de geallieerde troepen met gemengde gevoelens, zoals Hélène Horowicz-Beer:

‘Die avond zijn mijn man en ik op het Rogierplein, waar zich een enorme massa verzamelt, buiten zinnen over de optocht van de tanks en de geallieerde legers. We roepen, we juichen, we zingen. Ik breek in tranen uit. Het 27e transport is niet vertrokken, maar de andere, al de andere…’

Twee bladzijden van de "Transportliste", het 19e en het 21e, gered door Maurice Van Rees ( Kazerne Dossin).

Niet alle gevangenen worden weggevoerd. Wie vastzit voor kleinere vergrijpen, ontkomt soms aan de ontruimingen. Maar ook dan kan het nog mislopen. In Leopoldsburg richten SS’ers een waar bloedbad aan.

Begin september 1944 draagt de Duitse bevelhebber van het kamp van Beverlo honderden politieke gevangenen over aan de plaatselijke Rijkswacht en het Rode Kruis. 

Marc Neels, beter bekend als Marc Sleen en geestelijke vader van Nero, was een van de gevangenen in Beverlo. Net voor zijn bevrijding maakte hij deze tekening van mede-gevangene Frans Houthuys. Na zijn vrijlating vond Sleen een tijdlang onderdak bij een bakkersfamilie in Leopoldsburg.

Op de avond van 6 september 1944 bevindt zich een aantal van die vrijgelaten gevangenen in de Brouwerij Leopold aan de Nicolaylaan. Ze kunnen nog niet naar huis en krijgen te eten van het ‘tehuis Leopold III’. Een groep vooral Vlaamse SS’ers, op de vlucht richting Nederland, omsingelt het gebouw. Zij zetten ongeveer 35 mannen tegen de muur en ondervragen hen. De ex-gevangenen moeten hun waardevolle zaken afgeven, in één geval zelfs een paar laarzen.

Norbert Baeteman en André De Rudder, twee jonge verzetslui uit Nieuwpoort, kwamen om bij het drama van de Treurgracht in Leopoldsburg ( bron: bel-memorial.be ).

De SS’ers dwingen hun slachtoffers naar de IJzerlei, de huidige Martelarenstraat, te gaan. Ze moeten in meerdere rijen plaatsnemen in een gracht. Ze worden in twee groepen neergeschoten met een machinegeweer. Een aantal ontsnapt aan de dood door zich te laten neervallen. Enkelen krijgen nog een genadeschot. Daarna trekken de SS’ers weg.

De plaatselijke Rode Kruispost is onmiddellijk gewaarschuwd, omwonenden helpen bij het wegvoeren van de slachtoffers. Twintig doden krijgen een voorlopig graf in de tuin van de hulppost. Pas op 11 september 1944 bereiken de geallieerden Leopoldsburg.

Op de plaats van de terechtstelling wordt na de oorlog een gedenkzuil en kruisen opgericht. Ieder jaar vindt er een herdenking plaats.

Het monument en de kruisjes van de Treurgracht in Leopoldsburg. Er staan 22 kruisjes, 20 voor de gefusilleerden en 2 voor 2 andere ex-gevangenen die die dag stierven.

De “spooktrein”: de gesaboteerde laatste deportatie

In de ochtend van 2 september 1944 proberen de nazi’s nog een laatste grote deportatie van politieke gevangenen vanuit Brussel naar Duitsland te organiseren. Zowat 1500 politieke gevangenen worden vanuit de gevangenis van Sint-Gillis onder escorte naar het Zuidstation geleid en samengepakt in een trein van 32 beestenwagens. Het konvooi van het laatste uur heeft als bestemming het concentratiekamp Neuengamme.

Maar onderstationschef Michel Petit is lid van het verzet. Met zijn personeel doet hij het voor alsof de locomotief pech heeft en hij laat  veel nutteloze manoeuvres  uitvoeren. Daardoor vertrekt de trein pas om 15.30 uur, met acht uur vertraging. Vervolgens zorgen machinist Louis Verheggen, zijn stoker Louis Pochet en andere verzetslui voor bijkomend tijdsverlies. De trein stopt voortdurend voor rode lichten, zogezegd omdat het spoorwegnet verzadigd is door de terugtrekkende militaire konvooien. Merkwaardig genoeg verliest de locomotief intussen ongewoon veel stoom, de waterketel raakt leeg. Op een slakkengangetje bereikt de trein Muizen bij Mechelen en valt daar stil. 

De trein wordt "spooktrein" genoemd omdat hij niet voorkwam op het officiële dienstrooster van de spoorwegen die dag. Een van de wagons wordt bewaard in het Kamp van Breendonk.

’s Anderendaags, op 3 september, rond 5.30 uur in de ochtend, komt een Duitse locomotief hem wegslepen.  Maar dan verzinnen andere spoorwegmannen, zoals Maurice Laporte, foefjes om het konvooi af te remmen. De trein zou te lang zijn voor de wissels, er zijn geen waterreserves meer, er zijn opstoppingen bij Antwerpen. Resultaat: de trein rijdt naar… Schaarbeek, om er aansluiting te krijgen op de in theorie minder verzadigde lijn naar Luik.

De trein keert terug tot het station Klein-Eiland (Anderlecht) waar de meeste Duitse bewakers het opgeven. Ze gaan er  vandoor. Sommigen openen zelfs de deuren van de wagons waarin de gevangenen zitten te stikken. Veel gevangenen springen eruit  en verdwijnen. De overblijvende bewakers, die aan de praat gehouden worden door de vertegenwoordiger van het Rode Kruis, dr. Van Dooren, doen niets. Want terwijl de trein zijn nutteloze reis maakt vinden er gesprekken plaats tussen ambassadeur Mayr-Falkenberg, de laatste belangrijke Duitse autoriteit die nog in Brussel is, en enkele prominente Belgen en consuls van neutrale landen. Afgesproken wordt dat de gedeporteerden, net als zij die nog in de gevangenis zitten, vrij komen, in ruil wordt een humane behandeling van de achtergebleven Duitse gewonden in de Brusselse hospitalen verzekerd. 

Van links naar rechts, pastoor Godts van Maransart en Louis Foulon, de twee oudste  politieke gevangenen op de spooktrein, danken Louis Verheggen en Léon Pochet ( uit: Het Gulden Boek van de Belgische Weertstand, 1946 ).

De Duitse  Höhere SS-und Polizeiführer Richard Jungclaus, die de deportatie bevolen had, bevindt zich dan al in Hasselt en kan niet anders dan instemmen. Vanwege die toegeeflijkheid straft SS-leider Himmler Jungclaus enkele dagen later. Hij wordt naar het Oostfront gezonden, waar hij zal sneuvelen. 

De moed en verbeeldingskracht van de verzetslui van het spoor en de inzet van een aantal notabelen zorgen ervoor dat het verhaal van de “spooktrein” een gelukkige afloop kent. 

De overlevenden van de "spooktrein" richten na de oorlog een vriendenkring op ( collectie Marc Verschooris ).