75 jaar geleden: Duitse Joden voor de vierde keer slachtoffer

Na de bevrijding was de ellende voor de Duitse Joden in België nog lang niet voorbij. Zij werden regelmatig opgepakt en geïnterneerd als "vijanden". Het duurde jaren voor ze in ons land een volledig normaal leven konden leiden.

Dit is een bijdrage van Veerle Vanden Daelen. Zij is historica en adjunct-algemeen directeur en conservator van de Kazerne Dossin in Mechelen. Zij heeft vooral gewerkt rond de terugkeer van Joden naar Antwerpen en de heropbouw van het dagelijks leven na de Tweede Wereldoorlog. Eindredactie en illlustratie Jan Ouvry.

Meer over de Joodse gemeenschap in ons land tijdens en na de oorlog vindt u hier.

Onder het naziregime en na de bevrijding worden de Joden van Duitse nationaliteit tot viermaal toe slachtoffer. Vanaf 1933 worden ze in nazi-Duitsland slachtoffer van hun Joodse afkomst en vluchten ze onder meer naar België.

Bij de Duitse inval in België, op 10 mei 1940, worden deze Joodse vluchtelingen slachtoffer van hun Duitse afkomst: op bevel van de Belgische overheid worden zij als “verdachten” opgepakt en naar Frankrijk gebracht.

Tijdens de bezetting worden ze opnieuw slachtoffer van hun Joodse afkomst. De bezetter schrijft bovendien een specifieke behandeling voor de uit het Groot-Duitse Rijk afkomstige Joden voor. Ten slotte worden de Duitse Joden na de bevrijding weer slachtoffer van hun Duitse afkomst.

Foto van een groep naar België gevluchte Duitse Joden opgesloten in het interneringskamp van Marneffe bij Luik voor de oorlog (USHMM). Beginfoto: foto gemaakt door de Oostenrijkse Jood Joseph Epstein van een medegevangene in het interneringskamp van Merksplas in 1939; de man heeft een Davidster op zijn pet (bron: Joods Museum van België).

Tragisch relaas van de vier etappes in één levensverhaal

Sommige Duitse Joden maken werkelijk alle vier die etappes door, getuige daarvan een inlichtingendossier van de Antwerpse politie uit 1945 over een Duitse Jood die woont in de Lange Leemstraat:

“Deze persoon verblijft in Belgie sedert het jaar 1933 komende van Duitschland, alwaar hij uitwijkte voor het nazi regiem. […] Op 10 Mei 1940 werd hij als Duitscher aangehouden, en naar Frankrijk overgebracht, en is in de maand Augustus 1940 alhier teruggekeerd. Vanaf de maand September 1942 heeft hij zich hier en daar verborgen gehouden voor den bezetter, doch werd in het jaar 1943 twee maal door hen aangehouden, en overgebracht naar het verzamelkamp te Mechelen, daar hij israeliet is. Hij werd aldaar evenwel door den bezetter in vrijheid gesteld telkens, en dit volgens zijn verklaring voor bewezen diensten door hem aan het Duitsche leger tijdens den Wereldoorlog 1914-1918."

"Bij bevel van 16 Februari 1945, uitgaande van het Ministerie van Justitie – Administratie der Vreemdelingen, werd hij in kennis gesteld dat hij het land zal moeten verlaten van zoodra de omstandigheden het toelaten. Tot op heden werd dit bevel nog niet uitgevoerd. Hij moet zich tevens volgens de bestaande onderrichtingen elke week voor controle ten politiebureel aanmelden. Betreffende het doorloopend gedrag, omgang en zedelijkheid van deze persoon, is ons echter niet ongunstigs bekend, alsook niet over zijn houding tijdens de bezetting ten opzichte van het Vaderland”.

Groepsfoto van de familie Meyer uit het Duitse Breslau. Van links naar rechts Ernst, Elfriede, Berthold en Ilse Meyer en haar man Kurt Marcus. In 1939 vluchtte de familie naar België. In mei 1940 lieten de Belgische autoriteiten Berthold, Ernst en Kurt afvoeren naar een kamp in Frankrijk, vanwaar ze in Duitse concentratiekampen terecht kwamen die ze niet overleefden. Moeder Elfriede en Ilse konden lang uit handen van de Duitse bezetter blijven, maar werden begin 1944 toch opgepakt en naar Auschwitz afgevoerd. Alleen Ilse kwam levend terug. Ze week uit naar de Verenigde Staten, waar een schoonbroer woonde en hertrouwde niet (bron US Holocaust Memorial Museum).

Alle Duitse staatsburgers en burgers van voormalige Duitse bondgenoten in België worden na de bevrijding als "vijanden" bestempeld. Al op 21 augustus 1944 vaardigt de Belgische katholieke minister van Justitie Antoine Delfosse in Londen daarover richtlijnen uit.

De Antwerpse politie neemt de directieven op in de dagorders van 8 september 1944. Alle “vreemdelingen wier aanwezigheid voor het behoud van de openbare orde gevaarlijk is” moeten geïnterneerd worden, met name “de onderhoorigen van Duitschland of van met Duitschland verbonden staten die den leeftijd van 16 jaar hebben overschreden” die zich in België bevinden bij de bevrijding.

Een tragisch gevolg is dat ook Duitse en Oostenrijkse Joden die nog voor de oorlog naar ons land  gevlucht zijn, onder deze maatregel vallen. De bezittingen van deze mensen worden ook onder sekwester geplaatst en geblokkeerd, dat betekent dat zij over hun eigen bezittingen niet kunnen beschikken. 

Foto van een groep Duitse Joden in het interneringskamp Les Milles in Zuid-Frankrijk, waar ze naar werden afgevoerd door de Belgische autoriteiten in mei 1940.  Het kamp werd in augustus 1942 ontruimd en de bewoners werden naar Auschwitz overgebracht. Foto gestuurd door Ludwig Cohn ( helemaal rechts) naar zijn zus Ilse, die tijdens de oorlog ondergedoken leefde in België. Ludwig overleefde Auschwitz niet ( bron USHMM).

Een proces-verbaal van de Antwerpse politie van 16 september 1944 laat zien dat de omzendbrief van Antoine Delfosse strikt wordt toegepast. Een Duitse vrouw, verklaart aan de politie het volgende :

“Gisteren heb ik mij met mijn man aangeboden in de Harmonie, daar ik had hooren zeggen dat alle die van Duitsche nationaliteit waren, zich moesten aanmelden. Mijn man is aangehouden en naar de Begijnenstraat gevoerd. Ik of mijn man hebben ons niet bezig gehouden met politiek. Ik heb mijn man die Jood is, gedurende 2 jaar verstoken voor de Duitschers met wie ik niet te doen heb gehad”.

De dame tracht bij de politie uit te leggen dat het om een vergissing moest gaan. Het resultaat van haar interventie bij de politie is ontnuchterend : “Gezien [de vrouw in kwestie] onder de bepalingen valt van het rondschrijven van het Ministerie nr. 340 (Justitie) van 21 augustus 1944 laten wij voornoemde interneeren in de Geniekazerne te Berchem”. 

Eind september 1944 vond in het door Poolse soldaten bevrijde Gent een bijeenkomst plaats met  en ter ere van ongeveer 2.000 Joodse soldaten. Burgemeester Edward Anseele junior (vierde van links) wordt aan zijn rechterzijde geflankeerd door rabbijn Klepfisch, kapitein in het Poolse leger. Foto Joods Museum van België.

In september 1944 reageert de  Antwerpse burgemeester Camille Huysmans, die pas in de stad is teruggekeerd, tegen de richtlijnen. Hij geeft zijn politie bevel dat Joden die onder deze maatregel vallen niet mogen worden geïnterneerd, tenzij tegen bepaalde feiten ten laste kunnen worden gelegd. De hoofdcommissaris van politie neemt de aanwijzingen op in de dagorders van 16 september en brengt onmiddellijk ook de procureur des Konings op de hoogte.

Antwerps burgemeester Camille Huysmans, tweede van rechts, met naast hem prins Karel (bron AMSAB).

Even later volgen nog verdere richtlijnen van Huysmans. Er zijn in Antwerpen zo veel personen die volgens de omzendbrief van Delfosse geïnterneerd moeten worden dat er al snel geen plaats meer is voor extra gevangenen. Als oplossing stelt Huysmans voor lijsten op te maken van Duitsers die geen gevaar uitmaken voor de veiligheid van het land. Zij zouden in vrijheid worden gelaten en eventueel een meldingsplicht op het politiebureau hebben.

Huysmans brengt Delfosse en kapitein Deswarte, afgevaardigde voor de provincie van de Hoge Commissaris voor ‘s Rijks Veiligheid, hiervan persoonlijk op de hoogte. Deswarte herhaalt in zijn nota vervolgens de twee grote motivaties voor Huysmans’ beslissing. Het is  materieël onmogelijk om alle personen die onder de circulaire vallen te interneren en moreel is het ook fout: “het is een flagrante onrechtvaardigheid om vandaag de Joden aan te houden die naar hier gevlucht zijn om aan de Duitse concentratiekampen te ontsnappen en waarvan er meerdere tijdens de bezetting zijn vervolgd”. 

Vluchtelingen schuiven aan bij het kantoor van de Joodse Hulporganisatie voor vluchtelingen in Antwerpen voor de oorlog (bron USHMM)

De uitzonderingsmaatregel van Camille Huysmans lokt ook kritiek uit. Zo neemt de Antwerpse katholieke krant Het Handelsblad op 28 oktober 1944 een lezersbrief op, onder de sprekende kop “Waarom loopen de Rijksduitschers hier vrij rond ?”. De schrijver van de brief heeft weinig begrip voor het beleid van Huysmans. Hij vreest dat het niet naleven van de omzendbrief van Antoine Delfosse tot problemen kan leiden. Het zint hem niet dat de politie alvorens een Duitser, Italiaan of Japanner aan te houden telkens voorafgaandelijk toelating moet vragen aan de burgemeester. Volgens hem is internering louter een veiligheidsmaatregel en geen straf.

De lezersbrief werd prominent op de voorpagina van de krant geplaatst. BronKoninklijke Bibliotheek Brussel / Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen.

Camille Huysmans springt ook buiten Antwerpen voor Duitse Joden in de bres, zoals voor een Brusselse dame, telg uit de familie Oppenheimer. Het feit dat iemand van de familie Oppenheimer door deze maatregel last krijgt, is extra vervelend omdat Ernest Oppenheimer een sleutelfiguur is in de heropleving van de Antwerpse diamant.

Huysmans brengt de katholieke minister van Justitie, Maurice Verbaet, en het Brussels stadsbestuur alvast op de hoogte opdat mevrouw Oppenheimer met rust zou gelaten worden. Aan de dame zelf stuurt hij bemoedigende woorden met de verzekering dat deze zaken zullen stoppen.

Ernest Oppenheimer tijdens een bezoek aan Amsterdam in een diamantatelier in 1945 (Wikimedia Commons).

Na de bevrijding interneert de Britse militaire autoriteit in België ongeveer 2.000 Joden. In Antwerpen dringt de Britse overheid er half oktober 1944 op aan om de “onschadelijke Duitse geïnterneerden” zo snel mogelijk te ondervragen met het oog op hun eventuele vrijlating. Door de discriminerende maatregelen kunnen bovendien meer dan 6.000 Duitse en Oostenrijkse Joden geen werk vinden in België en zijn zij van sociale hulp afhankelijk. Een rapport van december 1944 heeft het zelfs over 8 à 10.000 Duitse en Oostenrijkse Joden die onder deze maatregelen vallen. 

Ook in Nederland werden Duitse Joden gezamenlijk met SS’ers en collaborateurs geïnterneerd en in kampen opgesloten, zoals hier in het gewezen concentratiekamp van Vught (bron NARA).

Op 25 april 1945 wordt in het Belgisch Staatsblad een rondschrijven van de katholieke minister van Justitie Charles du Bus de Warnaffe (de ministers van Justitie volgen elkaar snel op na de bevrijding) gepubliceerd in verband met de regularisatie van de situatie van de Duitse Joden.

Duitse Joden die tijdens de oorlog niets tegen de Belgische staat hadden gedaan, krijgen een “getuigschrift van burgertrouw”. Voortaan worden zij als niet-vijandelijke Duitsers erkend. De meldingsplicht bij de politie vervalt en zij krijgen de toelating om zich “op Belgisch grondgebied te verplaatsen met uitzondering van de kantons Eupen-Malmédy en Saint-Vith”. Tot dan mochten zij hun woonplaats niet  verlaten.

Er wordt nog aan toegevoegd : “De toekenning van die groote voordeelen aan de Duitsche Israëlieten en de Duitsche vluchtelingen, houder van een ‘getuigschrift van burgertrouw’, dient voor u een reden te zijn om iedere aanvraag met bijzondere aandacht te onderzoeken”. Op de identiteitsbewijzen moet de vermelding “Duitscher (niet-vijand)” worden aangebracht. Een omzendbrief van het ministerie van Ravitaillering van 6 juni 1945 schrijft voor dat de vermelding ook op de ravitailleringskaart moest worden vermeld.

Het identiteitsbewijs van Ilse Cohn, uitgereikt in Namen in juli 1946, met de vermelding "Allemande (non-ennemie) / Duitscher (niet-vijand)" (bron US Holocaust Memorial Museum). Ilse is de zus van Ludwig Cohn ( zie foto hoger) en overleefde onder de valse identiteit van Yvonne Collin de oorlog in Brussel en Namen

Ook al zijn deze maatregelen een stap in de goede richting, de wettelijke bepalingen van het sekwester op vijandelijke goederen maken het voor Joden van Duitse origine nagenoeg onmogelijk hun beroep weer op te nemen. Hun rekeningen zijn geblokkeerd, zij mogen er geen nieuwe openen en alle notariële akten in verband met transfer van goederen zijn verboden. Dat maakt elke commerciële activiteit omzeggens onmogelijk. Daarom wordt er op aangedrongen dat voor de Duitse Joden, net zoals reeds voor de Italianen het geval was, de sekwestermaatregelen zouden worden opgeheven. 

Een sekwester-dossier in het Algemeen Rijksarchief, depot Joseph Cuvelier, Brussel.

Pas  half  januari 1947 komt er een wet waardoor onderdanen van landen die de Belgische en geallieerde zaak hadden gediend, of door het naziregime als vijanden waren beschouwd, de opheffing van hun sekwester kunnen vragen.

In de praktijk is het echter zo dat de Dienst van het Sekwester reeds voordien, in afwachting van verdere wettelijke bepalingen, aan bepaalde categorieën van Duitsers en Oostenrijkers het beheer van hun goederen opnieuw heeft overgelaten. De Dienst van het Sekwester beseft dat Duitsers en Oostenrijkers die vervolgd waren geweest door het naziregime onrechtmatig worden behandeld.

Ten slotte brengt de wet van 14 juli 1951 een definitieve, officiële regeling. De Tweede Wereldoorlog is dan al ruim vijf jaar beëindigd.