1944 AP

75 jaar geleden: het laatste Jodentransport vertrekt van Mechelen naar Auschwitz

Op 31 juli 1944 vertrekt het 26e en laatste Jodentransport uit de Dossinkazerne in Mechelen naar Auschwitz. Van de 563 gedeporteerden zal ruim een derde het overleven, meer dan bij de vorige transporten.

Dit is een bijdrage van Laurence Schram, senior researcher in het documentatiecentrum van Kazerne Dossin in Mechelen. Ze is gespecialiseerd in de geschiedenis van de vervolging van Joden en  zigeuners in België en Noord-Frankrijk en van de transporten naar Auschwitz. Alle verhalen over de transporten vanuit de de Kazerne Dossin vindt u hier.  

In de maanden voor het vertrek van het laatste transport vanuit het "Verzamelkamp Mechelen" doen zich verscheidene gebeurtenissen voor die de hoop onder de Joodse gedetineerden in het kamp doen oplaaien. In mei ontsnappen bijvoorbeeld enkele van de in Schoten tewerkgestelde Joodse arbeiders. In april wisten al meerdere in de kazerne opgeëiste Joodse mannen, belast met het ruimen van het puin veroorzaakt door de bombardementen op Mechelen, te ontkomen.

Die zeldzame ontsnappingen blijven niet onopgemerkt bij de gedetineerden. Een van die arbeiders, Salomon Goldschläger, weet immers het nieuws aan zijn lotgenoten in de kazerne te melden. Ook de geallieerde landing in Normandië, op 6 juni 1944, komt de geïnterneerden ter ore, via wat nieuwkomers of leveranciers, of zelfs via de radio. De mensen hopen dat het einde van hun lijdensweg nadert. 

De bedeling van voedsel op de binnenkoer van de Dossinkazerne, schilderij van Leon Landau ( bron: Beit Lohamei Hagetaot-Israël ). Beginfoto, Joden komen aan en worden geselecteerd op de loskade in Birkenau (bron: Auschwitz Album).
Een tekening van Alfred Pollak die de levensomstandigheden toont in het verzamelkamp (Bron : NS-Dokumentationszentrum der Stadt Köln).

De  "geprivilegieerde" Joodse gevangenen in de Dossinkazerne, die voor de Duitsers allerlei karweitjes opknappen, vieren in juli 1944 twee nationale feestdagen: de Belgische op 21 juli en de Franse op 14 juli, want er is een familie uit Roubaix die deel uitmaakt van deze groep. Er worden gedichten gelezen en vaderlandslievende liederen voorgedragen, wat door de SS-bewakers verboden is.

Het hele kamp is in beroering. De Joden wanen zich al vrij. Zij aarzelen tussen hoop – eindelijk weer vrij! – en vrees. Zij zijn bang voor geallieerde aanvallen, voor een laatste evacuatie, of een mogelijke liquidatie van het "SS-Sammellager Mecheln" … Het weinige dat de Joodse geïnterneerden vernemen over de mislukte aanslag op Hitler, op 20 juli, verlaagt het moreel. Angst en wanhoop nemen toe onder de gevangenen.

De tassen van nieuwkomers in Dossin worden gecontroleerd. Tekening van Irene Awret  (bron: Beit Lohamei Hagetaot-Israël). Irene Spicker, een Berlijnse Jodin en kunstenares, vluchtte in 1939 naar België. In 1943 werd ze opgepakt en naar Dossin gebracht. Daar werkte ze eerst in de lederwerkplaats en later in het kunstatelier. Ze bleef in Mechelen tot de bevrijding van het verzamelkamp.  Daar leerde ze ook haar latere man, Azriel Awret, kennen.

Ondertussen spant de Sipo-SD, de politiedienst van de SS, zich tot het uiterste in en jaagt nu de enkele duizenden Joden op die nog steeds in de legaliteit leven en tot hiertoe een relatieve bescherming genoten. Veel van deze "legalen" zijn nog steeds verbonden aan de Vereniging van Joden in België (V.J.B.), een organisatie van in België verblijvende Joden opgericht door de Duitse bezetter eind 1941.

Een vijftigtal van hen wordt bijvoorbeeld door de Sipo-SD opgepakt in de populaire gaarkeuken van de V.J.B. De bezetter heeft 80 dagen nodig om het kleine aantal gedeporteerden - 563 - van het laatste konvooi te verzamelen en bijeen te brengen in de Dossinkazerne. Kinderen vormen maar  6% van de gedeporteerden. 

De aankomst van Joden op de binnenplaats van de kazerne Dossin, Mechelen, juli 1942  (bron: Kazerne Dossin).

Bij aankomst in de kazerne wordt iedereen geregistreerd. Transportliste XXVI telt 554 namen, aangevuld met de namen van negen personen die uit eerdere transporten zijn ontsnapt en opnieuw zijn opgepakt. Op 31 juli verlaat het transport, bestaande uit veewagons, Dossin met als bestemming Auschwitz-Birkenau, waar de trein op 2 augustus aankomt. Geen van de gedeporteerden weet onderweg uit de trein te springen en zich te redden.

Met het vertrek van dit laatste Jodentransport verdwijnt ook alle hoop onder de Joodse achterblijvers in het verzamelkamp.

Een transport vertrekt vanuit de Dossinkazerne. Tekening van Irene Awret ( bron: Beit Lohamei Hagetaot-Israël ).
"De trein des Dood", schilderij van Irene Awret (bron: Beit Lohamei Hagetaot-Israël).

Het laatste transport lost zijn Joodse gedeporteerden op de nieuwe loskade te Birkenau, de Bahnrampe. Tijdens de selectie sturen de SS’ers van de "Endlösung" 209 gedeporteerde Joden (37% van het transport) meteen naar de gaskamers in het vernietigingscentrum Birkenau, waar zij onmiddellijk na aankomst vermoord worden.

In vergelijking met het gemiddelde percentage van de vorige transporten (65%) ligt dit cijfer beduidend lager. Waarschijnlijk hebben de SS’ers van Auschwitz-Birkenau minder aandacht voor dit laatste kleine transport uit Dossin, waarbij kinderen en ouderen gering in aantal zijn, aangezien op hetzelfde moment meerdere tienduizenden Joden uit Hongarije in het kamp aankomen.

Hongaarse Joden komen aan op de loskade in Birkenau (bron: Auschwitz Album).

De 354 gedeporteerden uit Mechelen die geselecteerd worden om te werken, worden na de tatoeëring in het concentratiekampcomplex geïntegreerd: mannen worden geregistreerd in de reeks nummers B 3.450 tot en met B 3.672. De nummers B 24.041 tot en met B 24.171 worden aan de vrouwen toegekend.

Onderworpen aan extreme levensomstandigheden, slachtoffer van mishandelingen, verzwakt door ziekte en honger, uitgeput door de slavenarbeid, overleven 187 van de 354 tewerkgestelden het kamp niet. 

Een groep vrouwen op weg naar de gaskamer in Birkenau. Een van de vier clandestien genomen 'Sondernkommandofoto's"  uit augustus 1944. De foto's werden genomen door Alberto Errera, een Griekse gevangene die gedwongen werd te werken in en rond de gaskamers. Zij werden door het Pools verzet uit het kamp gesmokkeld.

Onder hen vinden we ook de beroemde expressionistische kunstenaar Felix Nussbaum uit Osnabrück. Deze schilder is in 1935 naar België gevlucht en heeft zich gevestigd in Oostende, later in Brussel. Bij de Duitse inval in mei 1940 wordt Nussbaum als "verdachte vreemdeling" door de Belgische overheid aangehouden en aan Frankrijk uitgeleverd. Hij wordt in het kamp van Saint-Cyprien geïnterneerd, waaruit hij kan ontsnappen. Terug in Brussel snijdt de kunstenaar in zijn werk steeds terugkerende thema’s aan: verbanning, discriminatie, opsluiting, vertwijfeling, wanhoop, levensgevaar… Hij werkt ook verschillende versies uit van hetzelfde beeld: dat van de ellendige, mensonwaardige levensomstandigheden van de geïnterneerden in de Franse interneringskampen.

Het schilderij "Im Lager" van Felix Nussbaum, geïnspireerd door zijn verblijf in Saint-Cyprien (Wikimedia).

Aan het einde van 1942 duikt Felix Nussbaum onder, samen met zijn echtgenote, Felka Platek. In 1943 schildert hij zijn "Zelfportret met identiteitskaart", waarop hij zichzelf voorstelt gestigmatiseerd met de verplichte gele ster en zijn identiteitskaart met de stempel "Juif – Jood".

Hij is ingesloten tussen hoge muren, waarboven een donkere dreigende lucht hangt. De boom in bloei, die schuchter boven de muur uitsteekt, is onbereikbaar en duidelijk niet voor hem bestemd. Al is het geen kamp, de schilder zit toch als het ware in een cel gevangen, zonder enige kans om aan zijn vreselijke lot te ontsnappen. 

Schilderij « Zelfportret met identiteitskaart » van Felix Nussbaum ( Felix-Nussbaum-Haus, Osnabrück ).

Het echtpaar Nussbaum wordt verklikt en door de Sipo-SD in Brussel aangehouden op 20 juni 1944. De deportatie van Felix Nussbaum en Felka Platek is voorzien voor 31 juli 1944, met het laatste transport. Hun verblijf in het Sammellager Mecheln heeft maar zeven weken geduurd.

Bij aankomst moet het echtpaar door de selectie. Recente opzoekingen hebben Felix Nussbaums tatoeagenummer in Auschwitz aan het licht gebracht: B 3594. Op 20 september 1944 worden zijn naam en tatoeagenummer vermeld in het register van de zieken in Block XXI. De omstandigheden, plaats en datum van zijn dood zijn niet bekend. Ook Felka Platek overleeft de deportatie niet. 

Felix Nussbaum en Felka Platek

Onder de overlevenden vinden we wel Marie Pinhas, 13 jaar oud op het moment van haar deportatie. Zij wordt in 1945 samen met haar moeder, Régine Mallah (39 jaar), gerepatrieerd. De twee vrouwen overleven enkele maanden in Birkenau, voordat ze in oktober 1944 naar Dachau worden overgebracht.

70 overlevenden van transport XXVI volgen dezelfde route als moeder en dochter. Deze vrouwen hebben hun overleven allen mede te danken aan het feit dat ze snel van Auschwitz-Birkenau naar Dachau en zijn nevenkampen worden overgebracht, waar de overlevingsomstandigheden iets beter zijn dan in Birkenau, en aan het feit dat ze aan de dodenmarsen ontsnappen. 

Marie Pinhas. Zij en haar moeder staan helemaal onderaan deze bladzijde uit de lijst met gedeporteerden van Transport XXVI  (bron: Kazerne Dossin en ARA-AOS-Brussel).

Een vijftiental andere vrouwen uit transport XXVI worden geëvacueerd vanuit Auschwitz naar Flossenburg. Hierna vervolgen ze hun dodenmars naar Theresienstadt, waar ze eindelijk werden bevrijd.

Tot slot worden er nog een tiental vrouwelijke overlevenden aangetroffen in Libau, Litouwen, waar ze in tankfabrieken, in velden of op de spoorwegen aan het werk werden gezet, voordat ze eind april of begin mei 1945 door de Sovjettroepen werden bevrijd. 

Monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van de dodenmarsen vanuit Dachau in München-Allach (Wikimedia).

De overlevende mannen van Transport XXVI volgen veel chaotischere en uiteenlopende routes. Meer dan twintig ontsnappen aan de dodenmarsen en worden in januari 1945 in Auschwitz, Birkenau of Monowitz bevrijd door Sovjettroepen.

Velen moeten wel deelnemen aan dodenmarsen die via Gross-Rosen verspreid door het Reich trekken. Gross-Rosen functioneerde als dispatchingcentrum om de gedeporteerden over andere kampen te verspreiden. Weinig overlevenden zijn in Gross-Rosen bevrijd. De meesten worden naar andere concentratiekampen gestuurd: Flossenburg, Dora, Dachau of Buchenwald.

Een twaalftal gerepatrieerden worden geëvacueerd naar Mauthausen, waar ze door het Amerikaanse leger worden bevrijd in het hoofdkamp of in een van de nevenkampen van Mauthausen.

Door Amerikaanse soldaten bevrijde overlevenden van een dodenmars vanuit Dachau (US Holocaust Museum, Eric Saul).

Nooit eerder was het sterftecijfer van een Jodentransport vanuit Dossin naar Auschwitz-Birkenau zo laag: 66% komt om, 34% overleeft. Met dit laatste transport komt het totale aantal, tussen 4 augustus 1942 en 31 juli 1944 vanuit Dossin naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerde Joden op 24.897 mensen, waaronder 4.080 kinderen jonger dan 15 jaar.

Onmiddellijk na de selectie worden 6.362 mannen en jongens en 9.364 vrouwen en meisjes vergast in de gaskamers van het uitroeiingscentrum Birkenau. Van de 9.171 Joden die voor de slavenarbeid binnen Auschwitz en zijn bijkampen werden geselecteerd, overleven er maar 1.218 de deportatie. Bijna de helft van de Joodse bevolking van België werd tijdens de Shoah uitgeroeid.