75 jaar geleden: treinen van de dood en van het leven

In de laatste oorlogsweken proberen de nazi’s nog op grote schaal hun gevangenen te doden en uit handen te houden van de geallieerden. Ze worden tot dodenmarsen gedwongen of op treinen afgevoerd, meestal treinen van de dood, een enkele keer van het leven. Een van die treinen doet 21 dagen over de reis van Buchenwald naar Dachau. Slechts een op de vijf inzittenden overleeft de trein van de dood. 

Voor Cesar Van Renne is het die 8 april 1945 bijna te laat. Hij is zonder veel nadenken terechtgekomen in een groep gevangenen die klaar staat op de appelplaats om uit Buchenwald te vertrekken; de nazi’s willen het kamp volledig evacueren nu de geallieerden naderen. Zijn boezemvriend Julien Colle, van wie hij normaal onafscheidelijk is, heeft hij even uit het oog verloren.

De twee Gentenaars kennen elkaar al van voor ze in mei 1944 omwille van hun verzetsactiviteiten in het kamp terecht kwamen en vormen een bijzonder duo. Cesar is een diepgelovig katholiek, Julien een vrijzinnige en een sympathieke sjoemelaar die er door zijn handigheidjes al meermaals in geslaagd is hen uit moeilijke situaties in het kamp te redden. 

Gevangenen in het kamp van Buchenwald tijdens een appel ( USHMM, collectie Lorenz Schmull). Beginfoto: Amerikaanse soldaten kijken in een van de wagons van de dodentrein ( collectie NARA).

Cesar beseft ineens dat hij niet mee naar buiten mag gaan “weg van de bevrijding, op weg naar de dood, op het punt de eindeloze marchen aan te vangen, ……”. Hij kan wegsluipen en vindt zijn vriend terug. Een dag later is het weer bijna zo ver, Cesar verliest Julien uit het oog en laat zich meezuigen in een groep tot op 10 meter van de poort: “ Ik pak mijn moed tezamen en vertel aan een Duitse gevangene-collaborateur dat ik hier in een verkeerde groep ben en tot die behoor die daar naast staat en die weldra zal volgen. Hij laat mij gaan.” Opnieuw vindt  Cesar Julien terug, ze houden zich samen schuil. Als een Hollandse kapo hen vindt en weg wil, kan Julien hem afschepen: “Hollanderken, wij zijn toch van hetzelfde bloed, allez toch.”

De twee vrienden kunnen in de uren nadien ontsnappen aan het gedwongen vertrek, tot  de gevangenen zelf Buchenwald op 11 april bevrijden, enkele uren voor de Amerikanen aankomen. Vele duizenden anderen vertrekken wel nog en zullen het niet overleven. Het zal wel geen toeval zijn, merkt Cesar later op, dat zijn vriend Julien voor de oorlog levensverzekeringen verkocht. 

21 dagen op een trein

Een eerste groep van zo’n 5.000 gevangenen verlaat  Buchenwald op 7 april  ’s avonds, te voet naar het station van Weimar negen kilometer verder. Een zeventigtal halen Weimar niet en worden onderweg neergeschoten omdat ze niet meekunnen. De meeste gevangenen zijn ondervoed en fel verzwakt. Velen hebben in de dagen voordien al te voet de ruim 50 kilometer van nevenkamp Ohrdruf naar Buchenwald moeten stappen.

Een trein met een vijftigtal goederenwagons vertrekt vroeg de ochtend nadien. De wagons zijn overvol, het is vechten voor wat ruimte. Sommige wagons zijn open. Dat heeft het voordeel dat de lucht er niet zo benauwd is als in de gesloten wagons, maar april 1945 is een vrij koude maand. Het regent regelmatig. Er valt zelfs smeltsneeuw. 

Enkele van de open wagons van de trein van de dood na aankomst in Dachau. Op de deuren is "off limits" geschilderd, "verboden terrein" (USHMM).

De bestemming is eerst het concentratiekamp Flossenburg, maar, als (foutief) het nieuws komt dat dat kamp in handen is van de geallieerden, wordt het veel verder af  gelegen Dachau de nieuwe bestemming. De trein doet een grote omweg en rijdt traag, zeer traag. Soms door problemen op het spoor, maar vooral omdat het gevangenentransport voortdurend op een zijspoor wordt gezet, treinen met troepen, wapens en munitie hebben voorrang.

Er is maar eten mee voor drie dagen, maar het wordt een reis van 21 dagen. Al snel zijn er dagen met  heel weinig of geen eten, vaak krijgen de gevangenen een dag lang zelfs geen water om te drinken. Groot is de dankbaarheid als in Tsjechië de plaatselijke bevolking eten gooit in de open wagons van de trein, maar dat is niet meer dan de spreekwoordelijke druppel op de hete plaat. Gevangenen komen om door honger en door ziekte, vanaf dag vier breekt een plaag van dysenterie uit. 

Een wagon, helemaal achteraan, is aanvankelijk leeg en bestemd voor de lijken van gestorven gevangenen en dat zijn er veel. Ook omdat de bewakers onder leiding van SS-Oberscharführer Hans Merbach schietgraag zijn. Wie probeert te ontsnappen wordt neergeschoten. Als de gevangenen in een wagon in opstand komen, komen twee SS’ers om, maar ook tientallen gevangenen. En soms wordt er zonder reden geschoten. In Pilsen laat het konvooi voor het eerst enkele tientallen lijken achter. 

De Fransman François Bertrand, een van de overlevenden van de trein van de dood, hield nauwgezet bij hoeveel eten ze elke dag kregen. In een boek dat hij over de tragische tocht schreef berekende hij dat per dag de gevangenen amper 90 calorieën te eten kregen,  1.200 is een minimum.

“Bij deze aanblik werd ik overweldigd door gruwel, opstandigheid en woede”

Bij  het Beierse dorpje Nammeringen valt de trein enkele dagen helemaal stil;  door een treinongeval  is het spoor verderop onbruikbaar en het is even wachten tot het hersteld is. De dorpsbewoners horen regelmatig schoten van bij de trein. Vrij willekeurig worden voortdurend gevangenen neergeschoten, getuigt de stationschef later. Enkelen die tot bij de trein raken zijn geschokt en willen eten geven, maar de bewakers willen daar niet van weten. 

Leden van het medisch korps van de 45e Infanteriedivisie van het 7e Amerikaanse Leger onderzoeken slachtoffers van de trein van de dood in Dachau (NARA).

De pastoor van het dorp komt zich ook vergewissen van de toestand. Johann Bergmann ziet hoe gevangenen dode medegevangenen naar een plek wat verderop brengen, waar de SS’ers proberen de lijken te verbranden op een groot vuur van treinbielzen. Langs  de trein en op de weg naar het geïmproviseerde crematorium ziet hij de lijken van neergeschoten gevangenen. Omdat er te veel doden zijn wordt een deel ook begraven in een massagraf. “Bij deze aanblik werd ik overweldigd door gruwel, opstandigheid en woede,” zegt pastoor Bergmann later in een getuigenis voor Amerikaanse onderzoekers.

Pastoor Johann Bergmann met zijn zus Therese in 1956 nadat hij voor zijn moedig optreden in Nammering het Bondskruis voor verdienste heeft gekregen.

Vanop de preekstoel  roept hij zijn parochianen op voedsel te schenken, zelfs al heeft de plaatselijke nazipartijleiding het hem verboden. Er worden honderden kilo’s aardappelen, een paar honderd kilo brood en soep naar de trein gebracht. De pastoor zet  ook SS-Oberscharführer Merbach onder druk om te stoppen met schieten: “Zelfs al doe je het niet uit menselijkheid, weet dan dat de Amerikanen naderen en ze zullen niet mals zijn voor iemand die zoiets op zijn geweten heeft”. Niet zonder gevaar voor eigen leven. Zelfs in die laatste dagen van het nazibewind zijn er mensen om minder neergeschoten.

Onmiddellijk na het vertrek van de trein plaatst Ludwig Gartner, ploegbaas in de plaatselijke steengroeve, een groot houten kruis bij het massagraf met de tekst: " Ter eeuwige nagedachtenis. Hier rusten 800 martelaars die door de nazi-beulen in april zijn vermoord. Dat ze in vrede rusten." Gartner en zijn vrouw hebben ook onderdak geboden aan een van de gevangen die is kunnen ontsnappen uit de trein.

Als het konvooi vijf dagen later, op 24 april opnieuw vertrekt, blijven in Nammering 794 doden achter. Pastoor Bergmann wil dan net een bevriend motorrijder uitsturen om hulp te vragen aan de Amerikanen die niet ver meer zijn, maar is te laat.

Als de Amerikanen Nammering innemen zijn de relaties met de dorpsbewoners aanvankelijk goed, maar als de militairen de massagraven ontdekken verandert dat, zelfs al heeft een groot deel van de bevolking zich correct gedragen. Zoals elders moeten de bewoners van het dorp komen kijken naar de doden (foto) en de mannen moeten helpen om hen op te graven en een waardige begraafplaats te geven. Het is een van de redenen dat het dorp lang wil vergeten en er pas laat, dankzij de inzet van een lokaal historicus, een herdenkingsmonument wordt opgericht.
Geschiedenisleraar Nikolaus Saller (nsaller.de) bij het monument dat in 1984 in Nammering is opgericht.

Trein van de dood

In Nammering is het konvooi in twee gesplitst. Het geweld tegen de gevangenen begint opnieuw bij de eerste halte. De treinwagons worden ook aangevallen door (naargelang de bron) Amerikaanse of Sovjetvliegtuigen die denken met een troepentransport te maken te hebben. Opnieuw vallen er heel wat doden, de gewonden worden afgemaakt.

 Na een reis van 21 dagen en bijna 900 kilometer komt de trein van de dood aan bij het concentratiekamp van Dachau op 27 april 1945. Amper 800 gevangenen zijn nog in staat om tot aan het kamp te wandelen, minder dan een vijfde. 

Drie overlevenden van de trein van de dood tonen hoe ze hun gevangenennummer op hun borst hebben gekrast, in de hoop dat ze zo na hun dood geïdentificeerd zouden kunnen worden (NARA).

Als de Amerikanen twee dagen later  aankomen in Dachau zijn de wagons vol lijken een van de eerste zaken die ze zien. Als ze die onderzoeken vinden ze nog een enkele Poolse overlevende. In de uren voor hun komst zouden SS’ers nog met mitrailleurs overlevenden in de wagons hebben omgebracht. Wellicht is het een van de redenen dat in de uren nadien Amerikaanse soldaten enkele kampbewakers zonder proces fusilleren.

Een Amerikaans militair houdt een van de zeldzame overlevers in zijn armen (USHMM).

Voor veel van de overlevenden die nog tot in het kamp raakten komt de Amerikaanse hulp te laat. Ze zijn zo verzwakt en ziek dat in de weken nadien nog een kleine helft van hen sterft.

Van de 28.000 gevangenen die in de dagen voor de bevrijding Buchenwald moesten verlaten, zijn er 12.000 tot 15.000 omgekomen. 

De SS-verantwoordelijke voor de trein van de dood, Hans Merbach, is tijdens het Buchenwald hoofdproces in augustus 1947 ter dood veroordeeld en dat vonnis is begin 1949 uitgevoerd.

Vermoedelijke leden van de Hitlerjugend moeten de trein van de dood bekijken (USHMM NARA).

Cesar Van Renne schreef vier jaar na de bevrijding zijn “Terugblik op Buchenwald”, die enkele jaren geleden is uitgegeven met commentaar door zijn zoon Marc. De onderwijzer (in het vijfde leerjaar) gaf een dag in het jaar geen les, op zijn verjaardag. Dan vertelde hij de hele ochtend over zijn verzetstijd en vooral over Buchenwald; na de middag stond een tekenfilm op het programma. De auteur van dit artikel is een van de geprivilegieerden die het mocht meemaken, het heeft hem sterk beïnvloed.

Julien Colle werd een bekend Gentenaar, als oprichter van de “Gilde van de Stroppendragers” en de” Gentse Sosseteit”.

Julien Colle (links) en Cesar Van Renne tijdens een bezoek aan Buchenwald na de oorlog poseren bij een kaart van de dodenmarsen die vanuit het kamp zijn vertrokken ( privé-collectie Marc van Renne).

De trein van het leven

Voor een (enkele) andere trein vol gevangenen loopt het beter af. Ook die vertrekt op 7 april, maar vanuit Bergen-Belsen, met zo’n 2.500 gevangenen, richting Theresienstadt. De gevangenen zijn vooral Joden, uit Hongarije, Nederland, Polen, Griekenland en Slovakije. Velen zijn zogenaamde “gepriviligieerden”, gevangenen die van de SS’ers een betere behandeling krijgen om ze later te kunnen ruilen voor Duitse gevangenen met de geallieerden.

In de chaos van de laatste oorlogsdagen gaat ook deze trein traag vooruit. De verantwoordelijke SS-officier ziet het heel anders dan zijn collega van de trein van de dood. Ook hij heeft bevel gekregen om zijn gevangenen om te brengen als ze in de handen van de geallieerden dreigen te vallen, maar in het begin maakt hij duidelijk dat hij dat niet gaat doen.

Vrouwen en kinderen die in de trein in Farsleben zaten lopen hun bevrijders tegemoet en aarzelen tussen huilen en lachen van geluk ( USHMM collectie George Gross).

Na zes dagen valt de trein stil in Farsleben , in de omgeving van Maagdenburg. De bewakers verdwijnen die nacht, want het geluid van kanonschoten is nu wel heel dichtbij. Als de dag nadien een Amerikaanse tank de trein nadert ziet de bemanning ineens honderden dolgelukkige mensen op zich afstormen. “Ik liep naar de tank, hysterisch lachend. Het stopte. Ik omhelsde de wielen, kuste de stalen platen. We hadden de oorlog gewonnen.”, getuigt een van hen later. En een andere: “Plots veranderden we, van niet-menselijke slaven in vrije mensen. Het was zeer opwindend, onvergetelijk. We zagen de Amerikaanse soldaten. Een van hen riep in het Jiddisch :“Ik ben ook een Jood”. Er was een uitbarsting van vreugde die onbeschrijflijk is”.

Bevrijde gevangenen poseren voor de trein in Farsleben (USHMM, collectie George Gross).

Tot begin deze eeuw was dit verhaal onbekend, tot een Amerikaans geschiedenisleraar bij een interview met een veteraan er toevallig op stuitte, omdat diens dochter helemaal op het einde van het gesprek vroeg of hij toch wel over de trein had verteld. Er bleken ook veel foto’s van het gebeuren te bestaan, die jarenlang in een schoendoos verloren hadden gelegen. Ze behoren intussen tot de bekendste beelden van deze periode uit de geschiedenis.

Een Joods meisje poseert bij de tank van haar Amerikaanse bevrijders (USHMM collectie George Gross).
Passagiers van de trein van het leven in Farsleben wachten op vervoer dat hen zal wegbrengen.

Meest gelezen