75 jaar geleden: Zweedse en Zwitserse hulp voor hongerend Nederland

Eind januari - begin februari 1945 bereikt voor het eerst internationale voedselhulp het door de Duitsers bezette Nederland, waar vooral in het westen de bevolking zwaar getroffen wordt door hongersnood. In de weken nadien wordt nog meer hulp aangevoerd, uit Zweden en Zwitserland, maar het is een druppel op een hete plaat die niet kan verhinderen dat meer dan 20.000 Nederlanders door honger omkomen.

Dit is een bijdrage van Ingrid de Zwarte, universitair docent aan Wageningen Universiteit in Nederland en onderzoeker aan het NIOD.  In haar boek De Hongerwinter  (2019) onderzoekt zij de oorzaken en gevolgen van de hongersnood in West-Nederland tijdens de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog. Eindredactie en illustraties Jan Ouvry.

Precies 75 jaar geleden maakt bezet Nederland de moeilijkste winter van de oorlog mee: de Hongerwinter. In januari 1945 bedragen de officiële rantsoenen voor alle personen boven de 4 jaar nog maar een magere 500 kilocalorieën – minder dan een vierde van wat we nu als een gezond dieet beschouwen. De strenge vrieskou verergert de honger.  Sinds 23 december vriest het onafgebroken, en door het algehele gebrek aan brandstof is het voor mensen nauwelijks mogelijk om hun huizen te verwarmen en eten te koken.

Zwartemarktprijzen voor voedsel en brandstof stijgen exponentieel en iedereen die daartoe in staat is maakt zogenoemde hongertochten naar het platteland. Lokale hulpcomités proberen de zorg voor de zwaksten in de samenleving over te nemen, maar de nood is te hoog om zonder hulp van buitenaf te kunnen verlichten. Helaas voor de hongerende Nederlanders duurt het lang voordat die internationale noodhulp zal komen.

Twee vrouwen en een kind op de terugweg van een hongertocht; alle bomen in het landschap zijn omgehakt om te dienen als brandhout   (lino van Paulus Broeder, Stadsarchief Amsterdam).

De discussie over noodhulp aan bezet Nederland is al in de herfst van 1944 begonnen. Direct na het verlies van de Slag om Arnhem in september 1944 verzoekt de Nederlandse koningin Wilhelmina minister-president Pieter S. Gerbrandy om contact op te nemen met zijn Britse collega Winston Churchill. Als de minister-presidenten elkaar op 5 oktober eindelijk spreken in Londen, waarschuwt Gerbrandy dat de stedelingen in West-Nederland de noodtoestand nog maximaal twee maanden kunnen overleven.

Hoewel Churchill begrip zegt te hebben voor de situatie, antwoordt hij dat voedselhulp simpelweg onmogelijk is. Schending van de economische blokkade van bezet Europa – een belangrijk oorlogswapen van de geallieerden om de Duitsers onder druk te zetten – moet koste wat kost vermeden worden. "De Duitsers eten het toch maar op", zegt Churchill. Bovendien is het zeer goed mogelijk dat Nederland voor die tijd al bevrijd zal zijn

Ondervoede kinderen in Den Haag. Foto van Menno Huizinga. De fotograaf fotografeerde het leven in Den Haag  onder Duitse bezetting en foto's van hem over de hongerwinter verschenen nog voor de bevrijding van Nederland in het buitenland om te bewijzen hoe ernstig de situatie wel was.
Menno Huizinga/ NIOD Nederlands Fotomuseum via Wikimedia Commons

De Nederlandse regering in Londen is teleurgesteld in Churchills afwijzing, maar laat het er niet bij zitten. Gerbrandy en koningin Wilhelmina houden persconferenties voor de radio, die resulteren in steunbetuigingen van over de hele wereld. De Britten organiseren zelfs een landelijke biddag voor bezet Nederland. Gerbrandy en Wilhelmina schrijven ook protestbrieven naar de wereldleiders. "Het lijden in West Holland is angstaanjagend en het is geen overdrijving dat hongersnood nabij is", drukt de koningin de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt op het hart.

Links minister-president Pieter S. Gerbrandy , in het midden koningin Wilhelmina, rechts prins Bernhard, de man van haar dochter Juliana.

Ondertussen neemt de Nederlandse regering in ballingschap begin oktober 1944 contact op met het neutrale Zweden en Zwitserland. Beide landen blijken direct bereidwillig om Nederland voedselhulp te verlenen. Wat de regering niet weet, is dat de geallieerden deze plannen ondertussen ook bespreken. Het Britse War Office ziet geen bezwaar vanuit het oogpunt van de blokkade: het neutrale Zweden en Zwitserland liggen immers binnen het blokkadegebied. Bovendien is het eerder in de oorlog al toegestaan om hulp van neutrale landen naar bezette gebieden in nood te sturen. 

Met een hamer kloppen jongens geteerde houtblokjes los tussen de tramsporen in Den Haag (Collectie NIMH).

Ook de Amerikaanse generaal Dwight D. Eisenhower – als opperbevelhebber van de geallieerde troepen verantwoordelijk voor de Nederlandse bevolking na de bevrijding – gaat akkoord met de plannen. Eind oktober verklaart hij: "Ik erken dat een deel van de voedselhulp in Duitse handen zal vallen, maar ik accepteer dit risico. Iedere hulp aan de Nederlandse burgerbevolking voor de bevrijding zal het hulpverleningsprobleem na de bevrijding verlichten."

Een man en vrouw ruziën over het hout dat ze uit een leegstaand huis hebben geroofd in Den Haag.
Menno Huizinga / NIOD Nederlands Fotomuseum via Wikimedia Commons

Ondanks dit veelbelovende vooruitzicht, gebeurt er in de volgende weken vrij weinig. De geallieerden bespreken verschillende hulpplannen, maar vanuit militair-strategisch oogpunt wijzen zij de meeste direct af. Voedselhulp is wenselijk, maar deze mag  de eindoverwinning op nazi-Duitsland niet in gevaar brengen.

Bovendien is Churchill, in tegenstelling tot Eisenhower, nog steeds niet geheel overtuigd van de ernst van de situatie. De Nederlandse regering blijft ondertussen aansporen tot actie: "Hulp aan bezet Nederland ten tijde van de bevrijding moet absolute prioriteit hebben, zelfs boven het motto: “eerst Duitsland verslaan”. De Nederlandse regering kan de bevrijding van lijken niet accepteren".

Naarmate de Hongerwinter vorderde werd alles schaars in Nederland, niet alleen voedsel. In een straat in Haarlem schuift een lange rij aan om wat zeep te bemachtigen (Collectie Noord-Hollands Archief).
Een ambulance van het Rode Kruis in Den Haag komt het lijk ophalen van een man die aan de honger bezweken is (Collectie NIMH).

Uiteindelijk bereiken de Zweedse en Duitse regeringen op 19 januari 1945 een akkoord. Twee schepen van het Zweedse Rode Kruis krijgen een veilige doorgang van Gotenburg via het Kielerkanaal naar Delfzijl in Groningen. Twee "neutrale" Zweedse vertegenwoordigers in Nederland zullen de goederendistributie overzien. Ondertussen vaart een Zwitsers schip van het Internationale Rode Kruis vanuit Lissabon eveneens naar Gotenburg, om daar te wachten op positieve rapporten over de eerste distributie vanuit bezet gebied. 

Kinderen wachten om hun dagelijkse portie extra voedsel te krijgen. Kinderen kregen systematisch meer dan volwassenen, de allerkleinsten het meest. Toch bleven ook voor hen de porties een stuk minder dan wat als het minimum wordt gezien.
Menno Huizinga / NIOD Nederlands Fotomuseum via Wikimedia Commons

Voor de geallieerden is dit een aantrekkelijk plan, te meer omdat een van de Zweedse vertegenwoordigers hen in het geheim al jaren van inlichtingen voorziet. De overeenkomst is ook in het voordeel van de Duitsers. Sinds december 1944 werken de Duitse civiele autoriteiten, onder leiding van rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, actief mee aan voedselhulp om volksprotesten en andere onlusten in de grote steden te voorkomen. Ook zij willen dus vanuit strategische overwegingen dat de hongersnood wordt verlicht.

De 'Dagmard Bratt' in de haven van Delfzijl, in het uiterste noord-oosten van Nederland (Wikimedia Commons).

Op 28 januari bereiken de Zweedse schepen Dagmar Bratt en Noreg met een lading van ruim 3.700 ton voedsel – waaronder bloem, margarine en gecondenseerde melk – de haven van Delfzijl. Helaas leidt de hevige januarivorst tot flinke vertragingen. Het duurt nog tot 5 februari voordat de eerste Nederlandse binnenschepen, beschilderd met grote Rode Kruismarkeringen om geallieerde beschietingen te voorkomen, naar Amsterdam vertrekken.

De verdeling van de goederen begint pas op 26 februari. Inmiddels zijn sinds het begin van de onderhandelingen bijna vijf maanden verstreken. Desondanks zullen de zendingen een onuitwisbare indruk maken op de hongerende stedelingen, met name het heerlijke wittebrood dat van het Zweedse meel wordt gebakken.

De vertegenwoordiger van het Zweedse Rode Kruis in Nederland roept op om te verhinderen dat de hulpgoederen uit zijn land op de zwarte markt terecht komen (Collectie NIOD via BeeldbankWOII.nl).

De Zweedse producten betekenen rantsoenverhogingen voor een week: volwassen rantsoenen in West-Nederland stijgen in de week van 18 februari van 476 kcal naar 878 kcal in de daaropvolgende week. Voor kinderen in de leeftijd 4-13, die recht hebben op een grotere portie Zweeds wittebrood en groenten, stijgen de rantsoenen zelfs tijdelijk tot 1009 kcal. De gecondenseerde melk en levertraan zijn gereserveerd voor jongere kinderen en baby’s, die de hoogste rantsoenen krijgen. De week na de Rode Kruisuitdelingen vallen de overheidsrantsoenen echter weer terug tot onder 550 kcal. Meer voedsel is nog steeds dringend nodig.

Vitrine van een van de bakkerijen die het Zweedse wittebrood distribueerden (Collectie NIOOD via BeeldbankWOII.nl).

Maar meer voedselhulp bezet Nederland in krijgen is niet zo eenvoudig. Zweden beschikt ook niet over onuitputtelijke voorraden, en het breken van de blokkade is nog steeds geen optie. Op 5 februari krijgt het Zwitserse schip Henri Dunant toestemming om naar Delfzijl te varen, met dien verstande dat het hier slechts om een tijdelijke maatregel ging.

Na zorgvuldige afwegingen staan de geallieerden in maart nog enkele Rode Kruis-zendingen toe. De Britse Admiraliteit houdt een vaste, wekelijkse zending echter tegen. Reguliere hulpzendingen zouden de Duitse weerstand versterken en zo de oorlog alleen maar verlengen. Bovendien zouden de hulpschepen  de geallieerde operaties in het Kielerkanaal in gevaar brengen. Grootschalige voedselhulp komt na het verslaan van nazi-Duitsland, zo stellen de geallieerden, en niet andersom.

Uitgelaten vrouwen en enkele mannen voor een bakkerij in Leiden waar ze net hun Zweeds wittebrood en ook wat margarine zijn gaan halen. Scene uit de film "Strijd" van Herman Kleibrink, 1946 (Collectie Regionaal Archief Leiden).
Dankzij het Zweedse Rode Kruis zijn de rekken in deze bakkerij in Gouda nog eens gevuld. De mannen houden ook kleine pakjes margarine vast die samen met het brood werden verdeeld (Collectie Verzetsmuseum Zuid-Holland via BeeldbankWOII.nl).

In de maanden januari tot april 1945 arriveren in totaal vijf Rode Kruiszendingen in bezet Nederland: drie vanuit Zweden, een vanuit Zwitserland en een vanuit het Internationale Rode Kruis. Samen brengen zij ongeveer 14.000 ton hoogwaardige levensmiddelen het bezette gebied binnen. De lading bestaat uit granen, gedroogde groenten, rijst en melk, maar de schepen brengen ook kinderkleding en de hoognodige medicijnen, zoals insuline, anti-difterieserum, levertraan, vitamine B1 en C en schurftpesticiden. 

"Toen de nood het hoogst was ......" kwam het Zweeds wittebrood! In de herinnering van de Nederlanders die het meemaakten werd het Zweedse brood legendarisch, zelfs al was het maar een druppel op een hete plaat. Tekening uit "Zoo was Nederland in de winter 1944-1945" van August van der Linde (privé-collectie).

Toch zijn de Rode Kruiszendingen slechts een druppel op de gloeiende plaat: in totaal ontvangt de stadsbevolking over een periode van tweeënhalve maand minder dan 5 kilo Rode Kruisvoedsel per persoon. Op 12 april meert het laatste Zweeds schip aan in Delfzijl, om vervolgens zonder te lossen direct weer uit te varen. Vlak voor de kust moet het de Slag om Groningen afwachten. West-Nederland blijft hongeren.

In 1946 werd in Nederland een actie opgezet om de Zweden te danken, niet alleen voor hun voedselhulp, maar ook voor de opvang van duizenden kinderen die na de bevrijding de kans kregen om in Zweden aan te sterken (Wikimedia Commons).

Meest gelezen