8 tot 14 januari 1945: Rode Leger opnieuw in de aanval

In deze reeks geven we elke week een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de Duitsers zich langzaam uit de Ardennen beginnen terug te trekken, worden ze aan het Oostfront overrompeld door een nieuw Sovjetoffensief. 

In Polen is na maanden van relatieve stilte een nieuw zwaar offensief van het Rode Leger begonnen.  Voor de Duitse troepen aldaar een totale overrompeling.

In de vroege ochtend van 12 januari bulderden de kanonnen vijf uur lang aan de zuidelijke loop van de Weichsel (Vistula) door het 1e Oekraïense Front onder maarschalk Konjev, waarna de Sovjettanks de aanval begonnen.  (Een "front" is een typisch Russische formatie van meerdere legers, te vergelijken met een legergroep bij andere mogendheden.)

Meteen daarop volgde meer naar het noorden een snelle aanval van het 1e Wit-Russische Front onder maarschalk Zjoekov, dat eerder al bruggenhoofden over de Weichsel had veroverd. De aanval verloopt in zuidwestelijke richting, richting Silezië, een belangrijk Duits industriegebied.

Sovjetsoldaten bereiken met een bootje de overkant van de Weichsel.

Alles samen vallen de Sovjets op een frontlijn van 900 km aan met 2,2 miljoen man. Daartegenover staan amper 400.000 Duitsers, minder dan er nu in de Ardennen en de Elzas zijn ingezet.  De Duitse legers aan het Oostfront zijn dan nog  het sterkst in het uiterste noorden, omdat het Rode Leger daar de Duitse grens al had overschreden. En ook daar vindt nu een aanval plaats. 

De Amerikaanse legerkrant "Stars and Stripes"  (15 januari) met een kaart van het offensief.

Door de ongelijke verdeling van de Duitse legers is het Russische overwicht aan de Weichsel nog groter: 11 tegen 1 in infanteristen, 7 tegen 1 in tanks, 20 tegen 1 in kanonnen … Over vliegtuigen beschikken de Duitsers nog nauwelijks. 

De gevolgen zijn dan ook te voorzien. Op verscheidene plaatsen zijn zware bressen in de Duitse verdedigingslinies gevallen. 

Zware mobiele Sovjetartillerie.

Het offensief komt zeker niet onverwacht. De Duitse  militaire inlichtingen­diensten waarschuwden al sinds Kerstmis voor een enorme troepen­concentratie van het Rode Leger.

De chef van de Duitse generale staf, generaal Heinz Guderian, die in feite de leiding heeft voor het Oostfront, is een paar keer naar Hitlers hoofdkwartier in het Taunusgebergte gereisd om de opperbevelhebber hiervan op de hoogte te stellen. Maar Hitler, die helemaal geconcentreerd was op de Ardennen, wees de rapporten van de inlichtingendienst af als “bedrog” en deed niets. 

Hitler (links) in gesprek met generaal Guderian (rechts).

Bij een nieuw gesprek met Guderian op 9 januari zei Hitler over de rapporten dat de opsteller in een gekkenhuis moest worden opgesloten.  

Tevergeefs vroeg een radeloze Guderian dat Hitler versterkingen zou sturen of anders zijn legers naar beter verdedigbare stellingen zou terugtrekken. "Het Oostfront is een kaartenhuis", zei hij. "Het kan elk ogenblik instorten." Maar Hitler zei dat het Oostfront zichzelf moet behelpen. Hetgeen dan ook is gebeurd, met catastrofale gevolgen voor de Duitsers. 

Duitse soldaten met een antitankkanon in een wanhopige poging om de Sovjet-overmacht tegen te houden.

Hitler aanvaardt terugtocht in de Ardennen

De Duitse troepen in de Ardennen trekken zich langzaam terug.

Op 8 januari heeft Hitler daarvoor toestemming gegeven en dat voor het eerst in de Ardennenslag. Het Zesde Pantserleger van generaal von Manteuffel mocht langzaam zijn meest gevorderde posities (tot bij Rochefort) terugbrengen tot een heuvelrug tussen de dorpen Dochamps en Lonchamps. Die ligt maar enkele kilometers ten westen van de cruciale weg Bastenaken-Houffalize.

Amerikaanse infanteristen en een Sherman Jumbo-tank betreden het dorp Lierneux.

De Duitse dictator erkende daarmee dat zijn offensief mislukt is. Toch wilde hij zijn waanzinnige dromen niet opgeven. Het Zesde Pantserleger, zo luidde zijn bevel, moet onmiddellijk worden uitgerust voor een nieuwe aanval. Het is verboden het in te zetten aan een verdedigingsfront.

Een Amerikaanse scherpschutter in witte camouflagekledij in de Ardennen.

Intussen blijft het weer bijzonder slecht. De geallieerden ploeteren door de sneeuw en hun vliegtuigen kunnen niet opstijgen.

De Duitse terugtrekking verloopt dan ook langzaam. Op 10 januari hebben de Duitsers La Roche opgegeven. De dag daarop was het de beurt aan Saint-Hubert, waar ze lelijk hebben huisgehouden. 

Amerikanen trekken Saint-Hubert binnen. Op de achtergrond de basiliek.

De bulge, de Duitse wig in de Ardennen, wordt dus steeds korter, maar intussen vallen de geallieerden ook aan de noordoostelijke kant ervan aan. Het VIIde Amerikaanse Leger­korps is nog maar een vijftal kilometer van Houffalize verwijderd.

De Duitsers bezetten nog steeds een gebied dat uitloopt over de vallei van de westelijke Ourthe tot aan het hoogplateau van Saint-Hubert. Omdat de Amerikanen ook zuidelijk vanuit Bastenaken druk uitoefenen, is een insluiting van de Duitse legers niet denkbeeldig geworden. Hitler heeft dan ook op 13 januari een verdere terugtrekking moeten aanvaarden. 

Kaarten uit de Amerikaanse legerkrant Stars and Stripes van 10 en 14 januari tonen de evolutie en de Amerikaanse dreiging om de Duitse troepen in te sluiten.

Strijd om Bastenaken voorbij

De strijd om Bastenaken is abrupt tot een einde gekomen.

De Duitsers bleven ondanks alles de stad aanvallen, maar omdat de meeste Duitse tanks naar elders waren vertrokken, moesten de infanteristen de klus klaren. Een wanhoopsdaad, want de Amerikaanse corridor vanuit het zuiden werd steeds breder en de Amerikanen waren helemaal in het overwicht.   

Tanks van de 8ste Amerikaanse Pantserdivisie nabij Bastenaken.

Op 12 januari slaagde de 90ste Amerikaanse divisie erin door te breken tot aan de weg naar Wiltz. Daarop wist ze de Duitse stellingen ten noorden van Bastenaken te passeren en door te stoten tot het dorpje Bras in het noordwesten, waar contact werd gemaakt met twee andere Amerikaanse divisies.

Daarmee werden de Duitse troepen bij Bastenaken zelf ingesloten, drie weken nadat ze de stad hadden omsingeld die ze nooit in handen zouden krijgen. De 15.000 ingesloten Duitsers, voor een groot deel elitetroepen, konden niets anders doen dan zich over te geven.

Duitse krijgsgevangenen moeten de Amerikanen van de 101ste Luchtlandingsdivisie die in Bastenaken sneuvelden, begraven.

Ruzie tussen “Monty” en “Brad”

Terwijl de troepen in de Ardennen bijna doodvriezen, wordt een gekibbel tussen de hoogste geallieerde generaals in de media uitgevochten.

Het gaat om enerzijds de Britse veldmaatschalk Sir Bernard Montgomery en anderzijds de Amerikaanse luitenant-generaal Omar N. Bradley, die elk een legergroep aanvoeren.

Om het Duitse offensief te kunnen pareren, had de geallieerde opperbevelhebber Eisenhower de Amerikaanse divisies ten noorden van de bulge in de Ardennen onder bevel van Montgomery geplaatst, hoewel ze tot Bradleys legergroep behoren en er veel minder Britten aan die strijd deelnemen dan Amerikanen. 

Montgomery toen hij op 12 juni 1944 in het Normandische haventje Courseulles-sur-Mer ontscheepte. Achterin de boot (met sigaar) zit Churchill.

Op een persconferentie in zijn hoofdkwartier in Zonhoven had Montgomery complimenten voor de Amerikaanse troepen en ook voor Eisenhower, maar hij zweeg over andere Amerikaanse generaals, zelfs over Patton.

Hij loofde vooral zijn eigen prestaties, alsof hij de voornaamste rol had gespeeld in de geallieerde tegenaanval. Dat hij in het heetst van de strijd het bevel had gekregen over Amerikaanse divisies, was zowat het beste wat de geallieerden had kunnen overkomen.

Deze woorden werden door de persagentschappen verspreid en – overdreven - overgenomen door een Duitse zender die op Bradleys hoofdkwartier in Luxemburg werd ontvangen. 

Bradley (links) en Eisenhower (midden) tijdens een maaltijd, vermoedelijk in juli 1944.

Bradley en Patton zijn woedend en hebben zelfs met ontslag gedreigd als Montgomery zich niet verontschuldigt. “Brad” heeft zich tegen de pers boos gemaakt over de aanmatigende uitspraken van "Monty". 

De Britse pers, die Montgomery als een held vereert, reageert heftig op die aantijgingen. Veel Britten eisen nu dat hun “Monty” weer zoals vroeger het opperbevel over alle geallieerde grondtroepen krijgt. Voor de Amerikanen is dit ondenkbaar, meer dan ooit. 

Eisenhower wil er zich aanvankelijk niet mee bemoeien, hoewel ook hij regelmatig aanvaringen had met Montgomery. Maar op den duur moet ook hij de Britse veldmaarschalk vragen om minder arrogant te doen. 

Montgomery (met donkere muts) toen hij in 1946 in Washington werd ontvangen. Links van hem Eisenhower, rechts Bradley.  "Monty" zou ook na de oorlog zijn visie verdedigen en kritiek uitoefenen op zijn Amerikaanse collega's, Eisenhower. inbegrepen.

Om de gemoederen te bedaren zal de Britse premier Churchill op 18 januari de Ardennenslag uitdrukkelijk een grote Amerikaanse overwinning noemen en de overwegende rol van de Amerikanen benadrukken…   

De Amerikaanse krant Wilmington Morning Star (19 januari) vermeldt de toespraak van Churchill waarin hij benadrukt dat de Amerikaanse  inzet aan het Westfront meer dan dubbel zo groot is als de Britse.

Amerikaanse landing op Luzon

In de ochtend van 9 januari is een massale Amerikaanse troepenlanding begonnen op Luzon, het grootste en belangrijkste eiland van de Filipijnen.

De landing op Luzon. Op de voorgrond een gepantserde bulldozer.

Dat gebeurde op de stranden van de Golf van Lingayen, op de westkant van het eiland, zo’n 200 km van de hoofdstad Manilla.

Generaal Douglas McArthur, de taaie opperbevelhebber, was er ook bij. Net als bij de eerdere landing op Leyte waadde hij persoonlijk door de golven naar het strand.

Generaal  McArthur (vooraan met zonnebril) waadt naar het strand.

Meer dan 200.000 Amerikaanse militairen nemen aan de invasie deel. Het is de grootste militaire opera­tie die de Verenigde Staten tot nu toe hebben uitgevoerd, op de bevrijding van West-Europa na.

Amerikaanse opmars meteen na de landing.

De bevrijding van Luzon volgt op die van het meer zuidelijk gelegen eiland Leyte, die pas eind december werd voltooid. Door de hevige Japanse weerstand op Leyte moest de al in oktober geplande invasie van Luzon worden uitgesteld. Door het verlies van Leyte verloren de Japanners veel vliegvelden. Er stierven bijna 50.000 Japanners, voor een groot deel door ziekte en honger. 

Wrak van een Japans vliegtuig op het landingsstrand.

Japan heeft op Luzon nog zo’n kwart miljoen manschappen, meer dus dan de Amerikanen. Maar veel Japanse eenheden hebben tekorten aan voorraden, munitie en materieel, omdat de scheepsverbindingen zijn uitgevallen. Door een gebrek aan jachtvliegtuigen kunnen de Japanners maar weinig doen tegen Amerikaanse luchtaanvallen. Bovendien voeren Filipijnse verzetsgroepen sabotageacties uit.

De Amerikanen slaagden erin de Japanners te misleiden. Door veel vluchten boven het zuiden van het eiland uit te voeren en ook schepen langs daar te varen, gaven ze de indruk dat de landing daar zou plaatsvinden.

Tekeningen over de landing in de Amerikaanse krant Wilmington Morning Star  (8, 11 en 22 januari 1945). De karikatuur links stelt de invasie van Luzon voor als een stap naar de invasie van Japan.