D-day is 75 jaar geleden: de misleidingsoperatie en jarenlange voorbereidingen die voorafgingen aan de landing

D-day, de landing in Normandië, was de grootste militaire operatie ooit in de geschiedenis. Ze werd zeer grondig voorbereid en werd een succes, onder andere door op grote schaal Hitler en de Duitse legertop te misleiden. 

Midden maart 1943 beslisten de Britse premier Winston Churchill en de Amerikaanse president Franklin Roosevelt om binnen het jaar een invasie van het door Duitsland bezette West-Europa op te zetten. De Amerikanen  waren al langer voorstander en ook Sovjetleider Jozef Stalin had aangedrongen op een “Tweede Front” in Europa, om de druk op zijn eigen troepen te verminderen.

Vooral Churchill had zich daar lang tegen verzet. De Britse leider was de bloedige en nutteloze rechtstreekse confrontaties bij de Somme en Ieper tijdens de Eerste Wereldoorlog nog lang niet vergeten. De Britten hadden geen overschot aan soldaten en konden zich geen zware verliezen veroorloven.

Hij voelde er meer voor om Duitsland en zijn bondgenoten vanuit de Middellandse Zee onder druk te zetten. Maar Roosevelt overtuigde Churchill dat er binnen een jaar genoeg mensen en middelen zouden zijn om met succes een landingspoging te wagen. 

President Franklyn Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill, omringd door hun militaire adviseurs tijdens de Conferentie van Casablanca in januari 1943 (bron: NARA). Beginfoto: commando's van de Britse marine landen op 6 juni in Normandië (bron IWM)

De keuze voor Normandië

Een groep onder leiding van de Britse luitenant-generaal Frederick Morgan begon met de voorbereiding en planning van wat de grootste en meest complexe operatie uit de militaire geschiedenis zou worden. Zij kwamen al vrij snel tot het besluit dat het westen van Normandië de beste plaats was om een landingsoperatie uit te voeren.

Het Nauw van Calais lag wel het dichtst bij de Engelse kust en bij het Duitse hartland en had de beste stranden. Maar de Duitsers hadden net hier hun kustverdediging, de Atlantikwall, het sterkst uitgebouwd en hadden er ook de meeste troepen. Want ze waren overtuigd dat de landing net hier zou gebeuren.

Schetsen van de kustlijn van  twee sectoren van Omaha-beach. Alle militairen kregen op D-day dergelijke schetsen mee om te helpen zich te oriënteren (bron NARA).

Dat laatste was doorslaggevend in de keuze voor Normandië, dat minder zwaar verdedigd was. Vanuit Normandië konden vrij snel Cherbourg en havens in Bretagne bereikt worden en er waren, om naar Parijs door te stoten, onderweg minder hindernissen, zoals rivieren en kanalen, dan in het Nauw van Calais. De aanleg van twee kunstmatige havens moest het ontbreken van havens in het landingsgebied opvangen.

Een betonnen caisson, die in een dok in Portsmouth is gefabriceerd, wordt naar de haven gesleept. Het is een onderdeel van de golfbrekers die de kunstmatige havens (mulberries) voor de Normandische kust moesten beschermen. De caissons van zowat 20 meter hoog werden samen met oude, afgeschreven koopvaardijschepen tot zinken gebracht.

Telefoonboek-dikke instructies

Begin december 1943 werd de Amerikaanse generaal Dwight Eisenhower aangesteld tot opperbevelhebber van de geallieerde strijdmacht die de invasie zou uitvoeren. Eisenhower had al faam verworven  tijdens de campagne in Noord-Afrika. Op zijn aandringen werd beslist om het aantal divisies dat op D-day zou worden ingezet te verhogen van 3 naar 6. Ruim 150.000 man zou de eerste dag landen.

Naarmate de weken voorbijgingen, werd de planning van de operatie almaar gedetailleerder. Aan de vooravond van D-day hadden alle eenheden handleidingen met instructies, dikker dan het dikste telefoonboek.

Generaal Dwight Eisenhower in Napels in 1943 (bron: NARA)

Op verschillende plaatsen in Groot-Brittannië, die leken op de verschillende landingsplaatsen in  Normandië, werden oefenterreinen ingericht, met alle bunkers en hindernissen zoals in het echt. Veel militairen getuigden dat zij  bij de landing verbaasd waren hoe herkenbaar alles was.

Ook op andere manieren werden gigantische inspanningen geleverd. In de Verenigde Staten werd bv. de productie van vliegtuigen tegen eind 1943 opgedreven naar 8.000 per maand, dubbel zoveel als een jaar eerder. Hetzelfde gebeurde bij de productie van tanks, schepen landingsvaartuigen en ander militair tuig.

Een klein landingsvaartuig of Higgings-boot voert gewonden af op D-day. Een tekort aan landingsvaartuigen was een groot probleem dat ervoor zorgde dat de invasie zelfs nog een maand werd uitgesteld. De traditionele scheepswerven hadden op dit terrein geen ervaring en waren te druk bezig met de bouw van gewone schepen. De belangrijkste ontwerper en bouwer van landingsvaartuigen werd de Amerikaan Andrew Higgins uit New Orleans. Voor de oorlog bouwde hij boten voor olie-exploratie in de moerassen van Louisana . Hij kwam met een ontwerp voor een landingsvaartuig dat de Amerikaanse marine overtuigde. De LCVP of Higginsboot had een boeg die als laadklep werd neergelaten en kon 36 man of 12 man en een jeep vervoeren. In minder dan 1 minuut kon het zijn lading laten ontschepen en terugkeren naar het moederschip om een nieuwe te halen. Higgins bouwde er uiteindelijk meer dan 23.000. Op het hoogtepunt stelde zijn bedrijf 30.000 mensen te werk. “Higgins is de man die de oorlog voor ons heeft gewonnen”, zei generaal Eisenhower later (bron: NARA).

Deze Amerikaanse propagandafilm toont de bouw van de Duitse Atlantikwall en de opbouw in de maanden voor D-day in Engeland van een reusachtige strijdkracht, met ongekend veel mensen en middelen (duur 5', bron NARA).

Video player inladen...

Operatie Fortitude

De vijand verrassen, was een essentiële voorwaarde voor het succes van de landing. De geallieerden hadden een groot voordeel: tegen 1944 hadden ze in de Atlantische Oceaan en de Noordzee een bijna absoluut overwicht in de lucht en op het water veroverd. Duitse vliegtuigen of schepen waren er nog nauwelijks actief.  Dat maakte de Duitse verdedigers van West-Europa zo goed als blind.

Verder werd een zeer grote en complexe operatie opgezet om Duitsland te misleiden, Operatie Fortitude. Hitler en zijn generaals moesten overtuigd worden dat de grote aanval elders zou plaatsvinden en dat de echte invasie een schijnaanval was.  De Duitsers moesten ook de indruk krijgen dat de geallieerde invasietroepen tweemaal zo sterk waren als in werkelijkheid.

In oorlogstijden is de waarheid zo kostbaar dat ze altijd omringd moet worden door een lijfwacht van leugens.

Winston Churchill

Al in 1941 waren de Britten er in geslaagd om de Duitse coderingsmachine Enigma met hun Ultra-systeem te kraken. Zo konden ze al het Duitse radioverkeer snel ontcijferen en een goed beeld krijgen van de vijandelijke posities. Informatie die aangevuld werd met inlichtingen uit luchtverkenningen en van het verzet.

En in 1940 waren de Britten er ook in geslaagd om alle Duitse spionnen in het land op te pakken en hen over te halen om te werken als dubbelspion. Ze bezorgden hun Duitse bazen jarenlang zorgvuldig geselecteerde informatie, die altijd correct was maar ook ongevaarlijk of laattijdig kwam. Maar de Duitsers bleven denken dat ze de beste spionnen ter wereld hadden.

Wrens of leden van de Women's Royal Naval Service aan het werk in een radiokamer bij het coderen of decoderen van boodschappen. © IWM (A 23513)

Noorwegen bedreigd ?

In Schotland maakte een fictief “Vierde Britse leger” zich klaar voor een aanval op Noorwegen, midden juli 1944. Daar lagen de basissen van de Duitse duikboten, waarmee Hitler nog zijn enige aanvalsoperaties kon uitvoeren, waar hij zeer aan hield.

Het “Vierde Britse leger” bestond uit niet meer dan een twintigtal, oudere Britse officieren. In het noorden van Schotland zetten ze onderling een radioverkeer op dat de indruk moest wekken dat zich daar een grote troepenmacht verzamelde. Boodschappen zoals “Verzoek 80 Div. voor 1800 paar klimijzers, 1800 paar skibindingen” moesten suggereren  wat de bestemming was van die troepenmacht.

De Duitse dubbelspionnen in Groot-Brittannië meldden aan de Abwehr in Hamburg druk treinverkeer in Schotland, het opduiken van nieuwe divisies in Edinburgh en geruchten over troepen die klaarstonden om naar Noorwegen te gaan. Een verontruste Hitler liet versterkingen sturen naar Noorwegen.

Hitler schouwt de bemanning van een van zijn duikboten

George Patton als lokaas

Een nog grotere misleidingsoperatie werd opgezet om de Duitsers te overtuigen dat de landing in het Nauw van Calais zou gebeuren. De Eerste Amerikaanse legergroep, die in Dover en omgeving gestationeerd was, zou die uitvoeren. Die Eerste Legergroep bestond deels uit echte troepen, maar vooral uit denkbeeldige troepen of troepen die nog in de Verenigde Staten waren.

Luitenant-generaal George S. Patton werd benoemd tot hun bevelhebber. De Duitsers vonden hem de beste geallieerde bevelhebber en verwachtten dat hij de invasie zou leiden.

Luitenant-generaal George Patton (links) in 1942 naast de Amerikaanse  admiraal Henry Kent Hewitt die de landingsoperaties in Noord-Afrika en Italië leidde (bron: NARA).

Patton, die wel liever zelf aan de landing had deelgenomen, speelde het spel voluit en werd zeer actief in het zuidwesten van Engeland. De Duitse dubbelspionnen rapporteerden zijn activiteiten, waarover trouwens ook in de Britse kranten verslag werd gedaan (en via de neutrale landen konden ook de Duitsers die kranten lezen).

Namaak-landingsvaartuigen in de havens van Dover, Ramsgate en Hastings, velden vol neptanks en -voertuigen en valse radioberichten gaven de schijnvertoning ook hier een nog grotere geloofwaardigheid. 

Britse militairen maken zich klaar om een rubberen nep-tank op te blazen (bron: NARA).

Hitler en zijn generaals misleid

Operatie Fortitude deed wat moest: tegen eind mei 1944 schatten de Duitsers dat de geallieerden 89 divisies in Groot-Brittannië hadden, het waren er maar 47. Ze geloofden ook dat er genoeg landingsvaartuigen waren om 20 divisies aan land te zetten, er waren er amper genoeg voor 6.

De door Ultra gedecodeerde Duitse berichten lieten week na week ook zien dat Hitler en zijn generaals bleven geloven dat de grote invasie in het Nauw van Calais zou komen, met afleidingsaanvallen in het zuiden van Frankrijk, Normandië en de Golf van Biskaje, en een aanval in Noorwegen.

Landingsoefening op een Brits strand; bij gebrek aan echte landingsvaartuigen werd een nep-vaartuig gebruikt. © IWM (A 14350)

De geallieerden deden verder nog grote inspanningen om te vermijden dat de Duitsers informatie kregen over wat echt gepland was. Al in februari 44 werd alle bezoek aan de kuststreken van Zuid-Engeland verboden, om te vermijden dat tussen de bezoekers een nog onbekende spion zou zitten.

Vanaf 17 april kregen diplomaten in Groot-Brittannië het verbod om nog vertrouwelijk te corresponderen met hun regering. Een tweetal loslippige Amerikaanse officieren werd naar huis gestuurd.

Een van de 428 doden en 285 zwaargewonden van het geallieerde bombardement op het vormingsstation van Merelbeke op 10 april 1944 wordt afgevoerd. Op 10 mei volgde nog een bombardement waarbij 48 doden vielen. In de weken voor D-day voerden geallieerde bommenwerpers systematisch aanvallen uit op spoorwegknooppunten en bruggen in Noord-Frankrijk en België. Het Duitse transportsysteem raakte daardoor sterk ontregeld (bron Beeldbank Merelbeke).

Het weer, de ultieme bondgenoot

D-day was eerst gepland voor 5 juni, maar omwille van een naderende storm moest de operatie op het laatste moment afgeblazen worden. Een groot aantal troepen, dat op 4 juni ingescheept was, moest terugkeren. Even zag het er zeer slecht uit voor de geallieerden. Als het op de 6e juni niet lukte, moest de onderneming zeker 14 dagen uitgesteld worden, tot de getijden en de stand van de maan weer goed stonden. 

Tot de meteorologen laat in de avond van 4 juni op hun weerkaarten zagen dat de storm even zou gaan liggen, lang genoeg om de invasie mogelijk te maken. Toen dat bevestigd werd, hakte opperbevelhebber Eisenhower  de knoop door, vroeg in de ochtend van 5 juni: 6 juni zou D-day worden.

Britse militairen tijdens een landingsoefening in de weken voor D-day (bron: NAM Londen).

De Duitse weerkundigen, die over heel wat minder weerstations beschikten, hadden niet gezien dat de storm ging liggen. In de nacht van 5 op 6 juni bleven daarom zowat alle Duitse schepen in de Franse havens en dachten de meeste hogere Duitse officieren dat de invasie nog even op zich zou laten wachten. Veldmaarschalk Erwin Rommel vertrok de 5e naar Zuid-Duitsland, om er de verjaardag van zijn vrouw te gaan vieren…

Amerikaanse militairen wachten op hun landingsvaartuigen op het signaal om te vertrekken (bron: NARA).

Belgische knowhow beslissend ?

Bij de geallieerde meteorologen zat één Belg: Odon Godard. De briljante wiskundige en astronoom van de Leuvense universiteit – leerling van de bedenker van de Big Bang-theorie, Georges Lemaître – was door het Britse Bomber Command in dienst genomen.

Hij werkte er vooral rond het verbeteren van weerkundige voorspellingen. Hij ontwikkelde een nieuwe wiskundige methode om door analyse van luchtdrukgegevens de weersevolutie te voorspellen. Die methode was een stuk eenvoudiger dan degene die tot dan werden gebruikt.

Odon Godard (links) samen aan tafel met zijn leermeester, Georges Lemaître, die hij ook zou opvolgen (Archief UCL, archieven Georges Lemaître).

De meeste historici geven de hoofdrol aan de Britse baas van de geallieerde meteorologen, James Stagg, maar in een interview na de oorlog zei Godard dat hij het beslissende advies had gegeven.

Ondervraagd door de adjunct van Eisenhower over de weersverwachting zei hij op 4 juni: “Onze luchtmacht zal op 5 juni niet kunnen opereren op lage hoogte, maar wel de hele dag van 6 juni, vanaf 5 uur”. En dat bleek te kloppen, maar gaf Odon Godart nog toe: “Ik heb veel geluk gehad”.

De Britse premier Winston Churchill tijdens een bezoek aan Dover. Churchill wou absoluut zelf D-day vanop een schip aan de Normandische kust volgen. Pas na een tussenkomst van koning George VI, die ermee dreigde dat dan ook te gaan doen, kon hij van dat idee afgebracht worden. © IWM (H 3509)
Video player inladen...