"Heilige grond": hoe het oorlogstoerisme al snel na de Grote Oorlog op gang kwam

Al snel nadat op 11 november 1918 de wapenstilstand werd ondertekend, kwam het oorlogstoerisme (of vredestoerisme) in Vlaanderen en Frankrijk op gang. En dat werd meteen ook vrij massaal, alleen al in de zomer van 1919 bezochten naar schatting 60.000 personen de slagvelden in ons land. 

Dit is een bijdrage van Dominiek Dendooven. Hij is doctor in de geschiedenis en wetenschappelijk medewerker aan de stedelijke musea van Ieper (waaronder het In Flanders Fields Museum). Hij publiceerde onder meer Menenpoort & Last Post. Ieper als Heilige Grond .

Wie 100 jaar geleden de Westhoek bezocht, kwam in een zeer vreemd oord terecht. Te midden van het oorlogspuin leefden de weinig teruggekeerde bewoners in haastig getimmerde barakjes. Britse militairen en Duitse krijgsgevangenen zorgden voor het opruimen van de slagvelden, het recupereren van het achtergebleven oorlogsmateriaal en het begraven van de doden, en werden daarin bijgestaan door Chinese en Indiase arbeiders. Zij vormden een bijkomende attractie voor de honderden toeristen die al onmiddellijk na de oorlog de frontstreek met eigen ogen wilden zien. 

Duitse krijgsgevangenen spelen viool in de ruïnes van Ieper; de instrumenten hebben ze zelf gemaakt uit sigarenkistjes. Pinkstermaandag, 1919. © IWM (Q 100394)

Dat oorlogstoerisme kwam niet uit het niets. Gedurende de hele 19e eeuw was Waterloo een populaire bestemming geweest voor Britse bezoekers op het continent. Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de slagvelden van Ieper en Verdun door nieuwsgierige bezoekers aangedaan maar toen bleven de oorlogstoeristen de facto beperkt tot hooggeplaatste personen, journalisten of militairen.

Zowel de Duitsers als de geallieerden publiceerden trouwens reisgidsen voor hun militairen in België. Eén van de merkwaardigste was allicht Ypres-Yper: a few Notes in its History before the War – With a Plan of the Town, dat in 1918 verscheen onder leiding van de Britse town major (plaatscommandant) van de toen reeds helemaal vernietigde stad. 

In de beschrijvingen die tijdens de oorlog werden gepubliceerd, kreeg het oorlogspuin de hoofdrol, eerder dan de doden of de loopgraven. Reeds in december 1914 schreef de geëngageerde Amerikaanse journalist Edward Alexander Powell: “Als België en zijn bevolking de herinnering aan de Duitse militaire barbarij levendig wil houden, als het de toekomstige generaties wil behoeden voor de gruwel en tragedie van de oorlog en als het de herinnering aan de onschuldige inwoners die afgeslacht werden enkel omdat zij Belgen waren blijvend in ere willen houden, dan kan dat het best gebeuren door de ruïnes van Aarschot en Leuven te bewaren, zoals ook de ruïnes van Pompeii zijn bewaard.”

De verzuchting van Powell om minstens een deel van de oorlogspuinen te bewaren, werd door velen gedeeld. 

Ik zou het geheel van de ruïnes van Ieper willen verwerven…. Een heiliger plaats voor het Britse ras bestaat niet in de wereld

Winston Churchill, januari 1919

Maar Ieper lag niet in het Britse Rijk en het verlangen van Churchill en anderen botste met de wil van de plaatselijke bevolking. In de loop van 1919 kwamen steeds meer inwoners terug de Verwoeste Gewesten bewonen. Terwijl de Rijkswacht einde april 1919 slechts 125 bewoners in Ieper telde, waren dat er tegen het einde van het jaar al een veelvoud van dat cijfer.

Een van de weinige economische activiteiten waarmee die pioniers hun dagelijks brood konden verdienen was het toerisme. Daarnaast zagen ook toeristische ondernemers uit andere streken, in binnen- en buitenland opportuniteiten in het ontluikende oorlogstoerisme. 

Britse militair en teruggekeerde Ieperlingen bij een uit golfplaten gemaakte "Nissen-barak" van het Britse leger, die is omgebouwd tot "Estaminet De Bonte Osse", je kan er "beer en stout" drinken. Ieper, 1919. © IWM (Q 100381)

Niet iedereen was enthousiast over het fenomeen. Vanuit de Britse wens om Ieper als ruïne te behouden reageerde de town major Beckles Willson fel tegen de vele barakjes die overal in de stad als paddenstoelen uit de grond schoten en die als hotel, café of restaurant dienst deden.

Zo schreef hij op 5 juli 1919 in een brief aan de Belgische minister van Binnenlandse Zaken de Broqueville: “Tenzij onmiddellijk de nodige maatregelen genomen worden zal de Grote Markt verloren zijn als een heiligdom voor universele bedevaart. Terwijl ik dit schrijf, worden zes nieuwe barakken opgericht – allemaal herbergen. Eén, die hemelsblauw is geschilderd, noemt zichzelf "The British Tavern", wat ons dagelijks blootstelt aan de afkeuring van Belgische en Franse bezoekers die denken dat wij verantwoordelijk zijn. De eigenaar is een herbergier uit Brussel”.

Gedurende heel 1919 zouden trouwens verschillende Britse kranten zoals The Times en The Daily Chronicle aandacht schenken aan de "heiligschennis" in Ieper door het goedkope en massale fronttoerisme. 

De Britten plaatsten bij de belangrijkste Ieperse ruïnes borden met de tekst: “Dit is Heilige Grond. Geen steen van dit bouwwerk mag weggenomen worden. Het is erfgoed voor alle beschaafde volkeren” . Collectie IFFM.

Naast de Verwoeste Gewesten profiteerde ook de Belgische kust in grote mate van het oorlogstoerisme. Door de oorlog was het traditionele gegoede cliënteel dat zich kwam amuseren in het Kursaal, met zeebaden of met paardenraces weggevallen. De nabijheid van de "Vlaamse velden" én de vele oorlogsrelicten aan de kust zelf, zoals Duitse artilleriebatterijen, boden een uitkomst.

In Zeebrugge, waar op 23 april 1918 een spectaculaire Britse raid had plaatsgevonden, kwam een van de eerste oorlogsmusea tot stand. Het was echter vooral Oostende – aankomstplaats van de maalboot -  die voor de Britten de uitvalsbasis bij uitstek werd om het voormalige front te ontdekken. 

Vlugschrift dat een bezoek aan het museum in Zeebrugge aanbeveelt en toeristen op de strekdam in de haven die gedeeltelijk hersteld is (IFFM en IWM).
Een echtpaar poseert bij een Duitse kustbatterij in de buurt van Oostende, circa 1920.

Ook nieuw was het massaal karakter van dit toerisme: alleen al in de zomer van 1919 bezochten naar schatting 60.000 personen de slagvelden. Velen onder hen kwamen bovendien in groep: familieleden die het graf van een geliefde wilden bezoeken of gewoon wilden zien waar hun vader of echtgenoot strijd had geleverd. Omdat de spoorweginfrastructuur dikwijls nog niet hersteld werd, moest men op zoek naar nieuwe manieren om tegemoet te komen aan deze nieuwe vraag naar gezamenlijke uitstappen. 

Een auto is gestopt op de "Menin Road" net buiten Ieper, de passagiers zijn uitgestapt en meten de schade op, september 1919 (Getty Images).

Daarom begonnen enkele Britse ondernemers met het organiseren van autobusexcursies vanuit de kustcentra. Zo kon men al in 1919-1920 al met een Britse bus van de firma Frames Tours op zesdaagse tour gaan langs de slagvelden van Frankrijk en Vlaanderen. Niet veel later zouden hoteluitbaters en garagisten uit de voornaamste havensteden Oostende, Blankenberge en Zeebrugge het idee kopiëren en op hun beurt dergelijke excursies aanbieden, niet zelden als daguitstap. 

"Toeristen" in het hart van Ieper bij de verwoeste Lakenhalle. Rechts een busje met als opschrift: "Excursies naar de slagvelden, voor meer inlichtingen wend u tot Hotel Central, Oostende". Collectie IFFM.

Voor de individuele slagveldtoerist kwam er een stortvloed aan reisgidsen. Michelin bracht tussen 1919 en 1921 een hele reeks Guides des champs de bataille op de markt, waarvan er naast obligate volumes over de IJzer en Ieper, ook boekjes gewijd waren aan Rijsel, Antwerpen en Brussel /Leuven.

De door Michelin in 1919 in het Frans gepubliceerde gidsen, helemaal bovenaan die gewijd aan Ieper: "De stapel groeit, groeit en groeit altijd!"

Alleen : reizen door de Verwoeste Gewesten was echter niet evident door de verwoeste infrastructuur, de gebrekkige accommodatie en de vele onontplofte munitie. Auteur J. De Wit vond het zelfs nodig om zijn vroege Gids door de Vlaamsche slagvelden van Leie - zee – IJzer te beginnen met een waarschuwing voor de Chinese arbeiders: “Niet alleen noch ‘s avonds reizen in Zuidelijk West-Vlaandren, waar nog vele chineesche koelies vertoeven en de streek, die zeer eenzaam is, soms onveilig kunnen maken”.

De voorpagina van een Britse gids voor Ieper en van een Franstalige en een Nederlandstalige gids voor het Belgische IJzerfront. Collectie IFFM.

Aan het front bezocht men ruïnes, de nog niet definitief aangelegde begraafplaatsen, schuilplaatsen en loopgraven. Die lagen er nog vaak bij zoals zij na de oorlog waren achtergelaten, inclusief oorlogsschroot en het materieel dat niet gerecupereerd kon worden. De eerste oorlogsmusea kwamen er op privé-initiatief en bestonden vaak uit niet meer dan een barak waar café gehouden werd en waar wat objecten te bekijken waren.

Het populairst echter waren de kijkkasten waar men in stereoview die foto’s kon bekijken die tijdens de oorlog vanwege de gruwel door de censuur verboden waren geweest.  In Ieper werd het eerste oorlogsmuseum pas opgericht in 1930 door de Britse veteraan Leo Murphy, die eerder ook als toeristische gids aan de bak was gekomen. 

Publiciteit voor het museum in Ieper van Leo Murphy (IFFM).
Twee pagina's uit een in het Engels verschenen gids van Michelin, met foto's uit de buurt van Mesen en Ploegsteert en richtingsaanwijzingen.

Het oorlogstoerisme naar de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog eindigde voorlopig met de (dreiging van de) Tweede Wereldoorlog. Dan zou het nog tot de jaren 1960 en de vijftigste verjaardag van de oorlog duren vooraleer het fenomeen weer de kop op stak om vervolgens weer populair te worden vanaf de late jaren 1990. Een hoogtepunt was natuurlijk de afgelopen eeuwherdenking. Wat in die honderd jaar nauwelijks veranderd is, is het bijzondere karakter van wat nu herdenkingstoerisme wordt genoemd en waarbij piëteitsvol herdenken hand-in-hand gaat met meer commerciële aspecten. 

Een aanplakbord in het station van het Britse Blackpool in 1920, met wel vijf aanbiedingen voor "Battlefield Tours" in België.

In maart 2020 opent in het In Flanders Fields Museum de tentoonstelling. Feniks. De Wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog. Daarin zal veel aandacht gaan naar het vroegste oorlogstoerisme. In het kader van het Feniks-project worden ook in tal van andere Westhoekgemeenten activiteiten omtrent de Wederopbouw georganiseerd. 

Hotel "The Splendid" in de buurt van de Menenpoort in Ieper, circa 1920. © IWM (Q 100416)
Het tankkerkhof in Hooge bij Ieper was een vaak bezochte bestemming, postkaart circa 1920.