Mythes en misvattingen van de Tweede Wereldoorlog: hebben de bombardementen op Duitsland geholpen de oorlog te winnen?

Vooral in het laatste oorlogsjaar hebben Britten en Amerikanen Duitsland massaal gebombardeerd, maar was dat doorslaggevend bij de overwinning? De bombardementen hadden zeker een zware impact, maar veel minder dan geallieerde luchtstrategen hadden gehoopt.

Van de 2,7 miljoen ton bommen die van 1940 tot 1945 boven Europa zijn uitgeworpen, vielen er meer dan 1,5 miljoen op Duitsland. Dat aantal is trouwens zeer ongelijk verspreid, want in 1944 alleen kregen de Duitsers 650.000 ton bommen op zich en in de eerste maanden van 1945 nog eens 500.000 ton. Het overgrote deel kwam van de Britse en Amerikaanse luchtvloten.

Het gaat hier dan enkel om bommen die bij strategische bombardementen werden gedropt, niet die bij luchtaanvallen tegen troepen of vestingen als onderdeel van gevechten werden gebruikt.

Inwoners van Berlijn wachtenin een schuilkelder op het einde van een geallieerd bombardement in 1942.

De meeste grote of middelgrote Duitse steden liepen zware schade op door deze bombardementen. Het dodenaantal varieerde sterk. In Hamburg alleen stierven er in totaal 49.000 burgers, in Berlijn wellicht 35.000. Dresden telde het grootste aantal doden -wellicht 25.000- bij één bombardement, in februari 1944.

Het totale aantal doden wordt geschat op 410.000. Daarnaast waren er nog honderdduizenden gewonden, miljoenen die hun huis verloren en nog miljoenen anderen die vluchtten voor hun veiligheid of werden geëvacueerd. En vele miljoenen voor wie het leven totaal werd ontregeld door de voortdurende luchtalarmen, de angst en allerlei andere ongemakken. Een menselijk drama.

Inwoners van Lübeck bij de inboedel die ze nog uit hun vernielde huis hebben kunnen halen.

Toch lagen die getallen veel lager dan wat de geallieerde luchtstrategen hadden gehoopt te kunnen aanrichten. Ze hadden er aanvankelijk op gerekend dat de bombardementen moesten leiden tot 900.000 doden, een miljoen gewonden en 25 miljoen mensen die uit hun huis werden verjaagd. Dat was lang niet het geval.

De Duitse maatregelen voor schuilkelders en civiele bescherming waren meestal efficiënt. Er vielen in verhouding meer slachtoffers bij groepen die veel minder beschermd werden, zoals de buitenlandse dwangarbeiders in de Duitse industrie.

Het was de bedoeling de Duitse bevolking te ontmoedigen en onder de knie te krijgen. Dat lijkt geen succes te zijn geweest, gezien de hardnekkigheid waarmee de Duitsers bleven doorvechten.  Het hoofddoel, de vernietiging van de Duitse industrie, lijkt nog minder te zijn bereikt. De Duitse industriële productie bereikte in 1944 een hoogtepunt, vooral door de maatregelen van de bekwame minister van Bewapening Albert Speer.

"Lebenszeichen" (teken van leven) van de familie Tüllmann uit Duisburg: "Zware schade (aan hun huis) , maar kunnen blijven wonen, brief volgt". Standaard briefkaart verkocht door de Duitse post - maximaal 10 woorden toegelaten - om snel en eenvoudig familie en vrienden te kunnen informeren (bron DHM).

De Duitse arbeiders aanvallen

Of de geallieerde bombardementen invloed hebben gehad op het verloop van de oorlog, is een vraag  waar pas veel later een duidelijk antwoord op gegeven is. Een genuanceerd antwoord.

De aanpak van de geallieerde bombardementen veranderde sterk gedurende de oorlog. Vanaf juni 1940 was het Britse leger van het Europese vasteland verdreven. Om Hitler toch op een of andere manier te treffen zette premier Churchill het Bomber Command van de Royal Air Force aan om bommenwerpers boven Duitsland te sturen. In het begin waren de Britse bombardementen niet meer dan speldenprikken om de Duitsers te doen beseffen dat de Britten de strijd niet opgaven. Het Bomber Command van de RAF probeerde vanaf 1941 vooral de Duitse olie-installaties en vliegtuigfabrieken te treffen, wat niet zonder moeilijkheden gebeurde.

Winston Churchill tijdens een bezoek aan een van de basissen van het Bomber Command; in de achtergrond een B 17 Flying Fortress.
© IWM (H 10300)
Een Britse Avro Lancaster in actie, de kleine bommen zijn brandbommen, de grote bom bevat 2.000 kg  explosieven. Vanaf de tweede helft van 1941 konden de Britten dit soort zware viermotorige toestellen inzetten waardoor het Bomber Command heel wat meer mogelijkheden kreeg.
© IWM (CL 1404)

De aanpak veranderde toen luchtmaarschalk sir Arthur Harris begin 1942 hoofd van het Bomber Command werd. Die begon met tapijtbombardementen, het op grote schaal afwerpen van spring- en brandbommen boven stedelijke gebieden. Het eerste dergelijke bombardement vond plaats op 30 mei 1942 op Keulen, toen voor het eerst meer dan duizend bommenwerpers samen optraden. 

Luchtmachtgeneraals als Harris waren onder invloed van de ideeën van de Italiaanse generaal Giulio Douhet, die kort na de Eerste Wereldoorlog theorieën over luchtstrategie had gepubliceerd. Volgens Douhet zouden de oorlogen van de toekomst in de lucht worden gewonnen. De vijand zou voortaan worden overwonnen door massaal steden te bombarderen en zo de burgerbevolking te demoraliseren.

Luchtmaarschalk sir Arthur Harris, in het midden, bestudeert een foto van de schade die is aangericht bij een bombardement.
© IWM (HU 93068)

Britse wetenschappers kwamen begin 1942 tot de conclusie dat de Duitse oorlogseconomie meer schade zou ondervinden door massaal de bevolking van de grote Duitse steden te treffen dan door fabrieken, mijnen en dergelijke te vernietigen. Het was letterlijk de bedoeling om de Duitse arbeiders aan te vallen omdat ze de zwakste schakel in de industrie vormden.

Uit onderzoek naar de gevolgen van de Duitse bombardementen op Engeland leidden de wetenschappers af dat de mensen vooral ontmoedigd raakten als ze hun huis verloren. Het zou mogelijk moeten zijn, zo rekenden ze uit, om met 10.000 bommenwerpers de 22 miljoen inwoners van de 58 grote Duitse steden – een derde van de bevolking – uit hun huis te verdrijven. Met alle gevolgen van dien voor het naziregime. 

De Amerikaanse generaal Carl Spaatz decoreert de bemanningsleden van een B17-bommenwerper na een succesvolle missie.
Photo: Imperial War Museum

Intussen deden ook de Verenigde Staten aan de oorlog mee. De Amerikaanse bommenwerpers, die vanaf 1942 vanuit Engeland opereerden, verkozen precisiebombardementen op specifieke doelen. Maar vanaf 1943 werkten de Britse en de Amerikaanse luchtvloten samen. De bevelhebber van de Amerikaanse strategische bommenwerpers, generaal Carl Spaatz, kon al snel goed omgaan met zijn Britse collega Harris. Samen maakten ze van de vernietiging van de Duitse steden een prioriteit.

Het hoogtepunt daarin vormde een dodelijke reeks aanvallen op Hamburg, de grootste Duitse havenstad, in juli-augustus 1943. Toen deed zich voor het eerst een vuurstorm  voor, een door brandbommen veroorzaakte brand op grote schaal. De enorme schade en de vele slachtoffers maakte sommige nazileiders erg ongerust. Maar uiteindelijk wisten de Duitsers zich te redden, ook al omdat er niet meteen dergelijke aanvallen op andere steden volgden. 

De buurt van de Eilbeker Weg in Hamburg na het bombardement: de muren van de woningen staan nog recht, maar ze zijn wel volledig uitgebrand (bron IWM).

Kogellagers

Minister Speer verwonderde er zich over dat de geallieerden niet meer systematisch bombardeerden. Zo wisten ze een grote stuwdam aan de Ruhr te beschadigen, waardoor de watervoorziening van de industrie aldaar in ernstige problemen kwam. Maar toen de stuwdam kort daarop gerepareerd werd, grepen ze niet meer in. 

Bijzonder zorgwekkend voor de nazi’s waren de aanvallen op fabrieken van kogellagers (die stalen bolletjes die de wrijving van wielen en assen verminderen en die men in alle grote en kleine mechanieken aantreft). De stad Schweinfurt, waar de belangrijkste fabrieken lagen werd in 1943 een paar keer zeer zwaar gebombardeerd, zodat de productie van dikke kogellagers – nodig voor de wapenindustrie - met 2/3 verminderde. Maar omdat de tweede keer bijzonder veel bommenwerpers neergehaald werden door de Duitse luchtafweer, werden de aanvallen niet voortgezet en kon de schade worden hersteld. 

Verwoeste bedrijfshal van de firma Fichtel&Sachs, een fabrikant van onder andere kogellagers in Schweinfurt in 1943 (Stadtarchiv SW).

Achteraf zou Speer (in gevangenschap) tegen ondervragers van de RAF vertellen dat ze daarmee een kans hadden gemist om Duitsland op de knieën te krijgen. Als ze enkele maanden lang systematisch alle fabrieken van kogellagers hadden gebombardeerd, zou de productie van tanks, vliegtuigen en andere voertuigen (plus de wisselstukken!) volledig zijn stilgevallen. Maar Harris achtte zulke herhaalde aanvallen niet efficiënt.

De bombardementen op Schweinfurt werden in de lente van 1944 hervat, opnieuw met dramatische gevolgen voor de industrie, maar al snel weer afgebroken. De geallieerde luchtstrijdkrachten werden onder het gezag van de nieuwe geallieerde opperbevelhebber Eisenhouwer geplaatst. Hun opdrachten pasten voortaan in de voorbereiding van de geallieerde landing in Normandië, dus eerder luchtaanvallen op toegangswegen en vliegvelden nabij dat landingsgebied dan op Duitsland zelf. Dat heeft bijna voor een opstand gezorgd van het Bomber Command. Harris achtte een landing zelfs overbodig: zijn bommenwerpers zouden de nazi’s wel verslaan…

B-17's hebben net boven Schweinfurt hun verwoestende lading gelost, 17 augustus 1943 (NARA).

Mislukking of niet?

Pas in het najaar van 1944 kreeg het Bomber Command zijn autonomie terug. Daarop volgden meer dan ooit massale aanvallen op Duitse steden, maar ook op bruggen, kanalen en andere infrastructuurwerken. Ook de Duitse fabrieken die kunstmatige benzine maakten, werden toen grotendeels uitgeschakeld, net nadat de olievelden in Roemenië (die ook zwaar waren gebombardeerd), voor Duitsland verloren waren gegaan. 

Het industriestadje Solingen - bekend van de messen - werd tijdens de oorlog meerdere keren gebombardeerd.
De groentenmarkt in Fulda na het zware bombardement van 11 en 12 september 1944.

Achteraf gezien lijken de bombardementen een mislukking. De luchtvloten van Harris en Spaatz kregen Duitsland niet op de knieën. Ondanks de vele doden, de enorme schade en al de ongemakken die dat de bevolking meebracht, werd het moreel van de Duitsers niet echt gebroken, toch niet in die mate dat ze zich tegen hun leiders keerden (wat de nazileiders wel degelijk vreesden).

Omgekeerd hebben velen  de honderdduizenden burgerslachtoffers en de vernietiging van zoveel cultureel waardevolle gebouwen vaak als een oorlogsmisdaad beschouwd, ook in de geallieerde landen. De eigenzinnige “Bomber Harris” , ook wel "Butcher Harris" genoemd, bleef wel de hele oorlog aan, maar zou achteraf niet delen in sommige eerbewijzen die zijn collega’s kregen .

"Bomber Harris" ontvangt koning George VI en zijn vrouw op het hoofdkwartier van het Bomber Command.
De Königstrasse in het centrum van Duisburg. De stad, die in de loop van de oorlog al meerdere zware bombardementen had ondergaan, werd in het voorjaar van 1945 opnieuw zwaar gebombardeerd;

Toch hebben de bombardementen wel degelijk een effect gehad. Zeker op het einde werden de Duitse oorlogsproductie en transporten zwaar verstoord. Op het einde waren de spoorwegen zo zwaar vernietigd dat op sommige plaatsen personenwagens werden ingezet om goederen te transporteren.

Bovendien waren er een miljoen mensen nodig voor de bemanning en het onderhoud van de 70.000 luchtafweerkanonnen, terwijl nog twee miljoen anderen werden ingezet om na de bombardementen puin te ruimen en de noodzakelijke herstellingen te verrichten. Miljoenen mensen die niet aan het front of in de wapenindustrie konden worden ingezet. 

De weekmarkt in Pforzheim in het zuidwesten van Duitsland in 1949, ook dan nog een spookstad. Het stadje werd in de laatste oorlogsmaanden meerdere malen gebombardeerd, het zwaarst op 23 februari 1945. Ruim 17.000 mensen of bijna 1/3 van de bevolking kwamen om, 80 % van alle woningen werden verwoest (Stadtarchiv Pforzheim).
Graven van slachtoffers in Pforzheim, 1946 (Stadtarchiv Pforzheim).

Meest gelezen