Mythes en misvattingen van de Tweede Wereldoorlog: konden de Duitse "wonderwapens" de loop van de oorlog veranderen?

Op het einde van de oorlog had Adolf Hitler nog grote verwachtingen in nieuwe, gesofisticeerde wapens die snel in gebruik zouden komen en die voor een ommekeer zouden zorgen. De meeste van die nieuwe wapens kwamen echter te laat om invloed te hebben, voor zover ze dat gekund hadden. Ze kwamen in productie toen de Duitse fabrieken al massaal gebombardeerd werden en de tekorten aan grondstoffen zich lieten voelen.

De Wunderwaffen waren in de eerste plaats een propagandazaak. De nazipers stond vol van berichten over wapens die de loop van de oorlog zouden veranderen. De Duitse minister van Bewapening Albert Speer waarschuwde echter voor een zware desillusie. Onder zijn druk zette propagandaleider Goebbels in november 1944 de berichtgeving over wonderwapens stop, maar een speciale propagandadienst bleef geruchten daarover verspreiden.  

Na de oorlog bleven de overgebleven exemplaren, prototypes en plannen van de Wunderwaffen fascineren. Velen vroegen zich af of de oorlog daarmee misschien anders zou zijn afgelopen. Er ontstonden zelfs waanzinnige verhalen dat de nazi’s ondergrondse schuilplaatsen hadden aangelegd waarin ze ook na de oorlog geheime wapens zouden produceren. De “vliegende schotels” die kort na de oorlog voor sensatie zorgden, zouden zulke wapens zijn geweest… 

De werkelijkheid is iets bescheidener. 

Duits gepantserd voertuig uitgerust met infrarood verrekijker. Het Duitse leger was het eerste dat zo'n kijkers in de praktijk testte, bij scherpschutters en tanks, maar te laat en te beperkt om enige impact te hebben.

Wel gebruikt, maar te laat

De Messerschmitt Me 262 was de eerste straaljager die echt gebruikt werd en wellicht het modernste vliegtuig dat aan de oorlog deelnam. Het kon veel sneller vliegen dan jachtvliegtuigen met propellers en was in bewapening superieur aan zijn tijdgenoten, ook de eerste Britse straaljagers.

De gloednieuwe reactiemotor vertoonde echter technische problemen: hij viel vaak uit of schoot in brand en moest snel vervangen worden. Een eerste commando van dertig Me 262’s, dat in oktober 1944 in actie schoot, schoot in één maand 22 vliegtuigen neer, maar verloor zelf 15 toestellen, waarvan negen door ongelukken. 

Al in maart 1945 kreeg de Amerikaanse luchtmacht een  Messerschmitt Me 262 in handen dankzij een Duitse testpiloot die met een toestel naar de geallieerden overliep.

Begin 1945 waren er zo’n 200 van die straaljagers actief. Ze boekten indrukwekkende overwinningen, maar het was een druppel op een hete plaat. Van de 1400 toestellen die gebouwd werden, heeft de grote meerderheid nooit gevlogen… bij gebrek aan brandstof.

Was de Me 262 eerder beschikbaar geweest, dan had hij wellicht de bombardementen als voorbereiding op de landing in Normandië ernstig kunnen hinderen.

Begin februari 1945 kreeg de Me 262 veel aandacht in de geallieerde pers. "De snelle vliegtuigen verbluffen de schutters in de Amerikaanse bommenwerpers, zij slagen er niet in een van de toestellen neer te halen", meldt onder andere de Wilmington Star op 10 februari 1945 (Library of Congress).

De Fieseler Fi 103, bekend als de  V1, was een onbemand vliegtuig  met een eenvoudige en dus goedkope straalmotor. Hoewel heel nieuw voor die tijd, had het tuig veel nadelen. De lange schansen die voor de lancering nodig waren, werden snel opgemerkt en door geallieerde vliegtuigen aangevallen. Omdat het toestel vrij laag en steeds aan dezelfde koers vloog, was het een gemakkelijk doel voor het luchtafweer. Op een paar kilometers na wist men ook niet waar het tuig zou neerkomen. 

Omdat het toestel snel en goedkoop te vervaardigen was (het werd gemaakt door dwangarbeiders in Mittelbau-Dora) kon het massaal worden geproduceerd: er werden er zo’n 30.000 gemaakt.  Maar… de totale hoeveelheid van de explosieven van deze 30.000 vliegende bommen bedroeg minder dan 3 procent van die van alle geallieerde bommen die in 1944 op Duitsland vielen.

Daarnaast werd ook een bemande versie van de V1 ontwikkeld. Die zou moeten worden bestuurd door zelfmoordpiloten, maar de Luftwaffe wilde uiteindelijk geen piloten verspillen…  

Een lanceerschans voor een V1 in het "Historisch-technisches Informationszentrum" in het Duitse Peenemünde, waar de raketten V1 en 2 werden ontwikkeld en getest.

De raket Agregat 4 (A4, bekend als de V2) van Wernher von Braun was technisch gesproken echt een wonder. Geen enkel menselijk tuig had tot dan toe zo snel en zo hoog gevlogen. De latere ruimteraketten zijn in feite uit de V2 ontwikkeld. Hij was onkwetsbaar, maar even onnauwkeurig als de V1.  Hij was ook 25 keer zo duur als een V1.

Een V2, klaar om gelanceerd te worden richting Londen, in de omgeving van Den Haag, voorjaar 1945.

De V1’s en V2’s  (V staat voor Vergeltungswaffe) waren de enige wonderwapens die  op grote schaal werden geproduceerd, maar lang niet zoveel als gewenst. Hitler wilde dagelijks duizend geleide wapens op Engeland doen neerkomen, maar in de praktijk kwam men zelden aan honderd per dag. 

Voor de prijs van de V2’s had Duitsland duizenden vliegtuigen kunnen bouwen, waar het zo’n gebrek aan had.  De Britse wiskundige Freeman Dyson, die tijdens de oorlog de efficiëntie van bombardementen bestudeerde, vond dat de nazi’s zichzelf benadeelden door V2’s te bouwen en dat men von Braun daarvoor dankbaar moest zijn… Speer noemde later de bouw van de V2 een van zijn grootste dwalingen. 

Schets van een V2.

Zweefbommen waren van vleugels voorziene vliegtuigbommen die in glijvlucht vanop afstand konden worden gestuurd. Ze werden vooral tegen schepen gebruikt. Er werden er twee gebruikt: de Fritz X en de Henschel Hs 293. Die laatste was voorzien van een raketmotor. Beide wapens wisten enkele successen te boeken. Zo bracht de Fritz X ooit een slagschip tot zinken en kelderde de HS 293 een troepentransportschip, waarbij 1.100 doden vielen.

De geallieerden wisten echter het effect van de telegeleide bommen te hinderen door de radioverbindingen te verstoren.  Bovendien hadden de Duitsers steeds minder bommenwerpers om die tuigen te droppen.  

Een Heinkel He-111H vliegtuig heeft net een  Henschel Hs 293 zweefbom gelanceerd.

Hitler en zijn marine stelden op het einde van de oorlog grote hoop in een revolutionaire nieuwe generatie onderzeeërs waarmee Duitsland opnieuw zware verliezen aan de geallieerde transporten op zee zou kunnen toebrengen.

De U-boot type XXI was inderdaad revolutionair. Hij kon 630 kilometer onder water varen, meer dan het viervoud van zijn voorgangers. Bovendien was zijn snelheid onder water ongezien groot.  

Sinds eind 1943 was de Duitse scheepsindustrie begonnen met een massaal bouwprogramma voor dit type. Maar dat liep zware vertragingen op. Om de bouw te versnellen werden segmenten ervan in afzonderlijke werkplaatsen gemaakt en vervolgens aan elkaar geassembleerd, een voor die tijd ongeziene werkwijze. Maar dat leverde allerlei praktische problemen op.  

Het gevolg was dat de nieuwe onderzeeërs te laat kwamen. Van de 1.170 bestelde U-boten type XXI waren er op het einde van de oorlog 118 voltooid. Slechts vier hebben dienst gedaan, zonder één schip te doen zinken. De geallieerden namen ze gretig in beslag voor eigen gebruik. Ze werden de voorlopers van alle moderne onderzeeërs. 

Twee segmenten van de U-boot type XXI, waarschijnlijk op een scheepswerf in de Duitse havenstad Kiel (Wikimedia Commons).

Van een kleiner type U-boot – type XXIII,  met soortgelijke eigenschappen - traden zes exemplaren in actie, die in totaal vier schepen wisten te doen zinken.

Hoe dan ook waren er op het einde onvoldoende bekwame zeelieden om de nieuwe duikboten te bemannen. Zowat 80 procent van de Duitse onderzeebemanningen was intussen omgekomen. 

Een van de zes exemplaren van het kleiner type U-boot, type XXIII.

Wel gebouwd, nooit gebruikt

Bij de “vergeldingswapens” was ook een V3, een meerkamerkanon dat 130 meter lang was en granaten van 140 kilo afschoot. Langs de loop bevonden zich tientallen ontbrandingskamers waarin gas ontplofte bij het passeren van de granaat, waardoor het projectiel telkens meer versneld werd, zodat het 165 kilometer ver moest kunnen vliegen.

De Duitsers bouwden nabij het Nauw van Calais lange ondergrondse schachten met daarin enkele tientallen van die superkanonnen, gericht op Londen. De bouw was nog niet voltooid toen Britse bommenwerpers het complex op 6 juli 1944 vernielden.  

De V3 is als zodanig nooit gebruikt. Tijdens het Ardennenoffensief stonden nabij Trier in Duitsland wel een paar exemplaren van een kortere (50 meter) versie van het “superkanon” die enkele granaten afvuurden op de stad Luxemburg, 43 kilometer ver. 

EEn foto van een prototype van de V3 en een schets van het ondergrondse complex in het Franse Mimoyecques bij Calais vanwaar het superkanon zou schieten.

Vele nieuwe wapens raakten niet verder dan proefmodellen. Enkele spectaculaire voorbeelden:

De Messerschmitt Me 264 “Amerikabomber” was een viermotorige bommenwerper, met een bereik van 15.000 kilometer. Daarmee kon hij de Amerikaanse Oostkust aanvallen. Hetzelfde gold voor de Junkers Ju 390, een zesmotorig vliegtuig met een spanwijdte van 50 meter, dat bijna 10.000 kilometer ver kon vliegen. Van elk van beide types zijn maar twee proefexemplaren gebouwd. 

Een van de twee exemplaren van de Junkers Ju 390; de propellers zijn weggehaald om het toestel onbruikbaar te maken.

De Horten Ho 229, een tweemotorig straalvliegtuig met de vorm van een  “vliegende vleugel” . Het had een snelheid van bijna 1.000 kilometer per uur en een bereik van 1.900 kilometer. Het is een legende dat de huidige Stealth-jets (vliegtuigen die door hun vorm moeilijk door radar te detecteren zijn) op de Ho 229 zijn geïnspireerd. 

Het enige overblijvende exemplaar van de Ho 229 bevindt zich in de collectie van de Amerikaanse Smithsonian. Institution. Rechts, staande, de gedemonteerde vleugels van het toestel.

De Panzerkampfwagen VII Maus was de zwaarste tank ooit gebouwd. Hij was 10 meter lang en woog 168 ton, veel meer dan oorspronkelijk gepland. Omdat hij te zwaar was om over bruggen te rijden, kon hij onder water een rivier oversteken. Er werden maar twee prototypes van gebouwd. 

Een Panzerkampfwagen «Maus» in het Kubinka Tank Museum in Moskou (Wikimedia Commons).

De Wasserfall was een luchtdoelraket, rechtstreeks ontwikkeld uit de V2. Deze 7,85 meter hoge raket werd met afstandsbediening of radargeleiding naar een vijandelijk vliegtuig geleid. Door vertragingen -  de hoofdontwerper kwam om bij een bombardement -  is men nooit verder geraakt dan tests. 

Een schets van de "Wasserfall" en de lancering van een prototype in Peenemünde in het najaar van 1944 (ook beginillustratie).

Enkel op papier

De Duitsers hadden nog veel meer wapens ontworpen, die nooit veel verder raakten dan de tekentafel of het laboratorium.

Zo de A9/A10, een 20 meter hoge tweetrapsraket die bedoeld was om New York van de kaart te vegen. Eigenlijk een aangepaste versie van de A4(V2) geplaatst op een zwaardere raket.

Even bizar is de Landkreuzer “Ratte”, een soort pantserschip op rupsbanden , 35 meter lang  en 1.000 ton zwaar. Of de nog veel zwaardere Landkreuzer “Monster”, dat een kanon van 47 meter lengte (de echt gebouwde Schwere Gustav, het grootste mobiele kanon ooit) moest dragen. Hitler was een fan van dit soort projecten, maar tests met superzware tanks als de Maus leerden dat er heel wat problemen mee waren. 

Deze tekening geeft goed weer hoe buitensporig groot de Landkreuzer “Ratte” moest worden.

Verder zijn er proeven gedaan met een “kanon” van ultrageluiden en een “röntgenstralenkanon”.  Een aantal Duitse geleerden werkten ook aan een atoombom, maar zonder veel vooruitgang te boeken. Het budget van het Duitse atoombomproject was dan ook duizend keer kleiner dan het Amerikaanse, dat zo’n 120.000 mensen tewerkstelde. Bovendien waren heel wat knappe Duitse natuurkundigen uitgeweken naar het buitenland en anderen werden niet bij het project betrokken omdat de nazi’s hen niet vertrouwden. 

De aankomst van de Horten Ho 229 in de Verenigde Staten

Kwaliteit ten koste van kwantiteit

De vele door de Duitsers ontworpen nieuwe wapens geven een verkeerd beeld van de Duitse wapenproductie, die behoorlijk inefficiënt verliep vergeleken met die van de geallieerden. 

Tot 1942 produceerden de Duitsers minder vliegtuigen dan de Britten, maar in veel grotere variëteit. Speer, die de productie fel zou opvoeren, klaagde dat Duitsland meer dan 400 verschillende types vliegtuigen had. 

Ergens ging de kwaliteit van de Duitse wapens ten koste van de kwantiteit. Hadden de Duitsers zich op enkele projecten geconcentreerd, dan zouden ze er wellicht veel meer hebben kunnen maken. Maar de bureaucratie en het onderling getouwtrek gooiden roet in het eten.  

De ondergrondse productie van een Messerschmitt Me 262. Door de geallieerde bombardementen werd de Duitse wapenindustrie  naarmate de oorlog vorderde gedwongen om de productie in bunkers of ondergronds te brengen.
De fabriek in het Beierse Leipheim, waar de ME 262 werd geassembleerd, werd op 22 februari 1945 door een geallieerd bombardement verwoest.

De “wonderwapens” geven de indruk dat het Duitse leger hypermodern was uitgerust. Dat klopt niet.

De meest geproduceerde Duitse tank, de Panzer IV, was al ontwikkeld in 1936. Het meest gebruikte geweer, de Karabiner 98k, was gebaseerd op een model uit… 1898. Ten slotte hebben de Duitse legers de hele oorlog lang voor hun transporten op grote schaal nog van paarden gebruik gemaakt! 

Het geloof in en de hoop op (nieuwe) wonderwapens was een van de elementen in de Duitse bereidheid om onder hopeloze omstandigheden te blijven doorvechten tot een bijna totale verwoesting en volledige vijandelijke bezetting. De Britse historicus Ian Kershaw analyseert briljant die Duitse zelfvernietiging door tot op het laatste te vechten in zijn boek "Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945". 

SS-cavallerie in Rusland in 1941 (Bundesarchiv Bild).

Meest gelezen